De basis van meditatie

Als je wilt weten wat boeddhistische meditatie echt is en wat het niet is, dan is de pagina De basis van meditatie van SleutelTotInzicht.nl de aangewezen locatie om dit te ontdekken.

Inhoudsopgave

Inleiding

Stap 1 — Makkelijk en verantwoord leren

Stap 2 — Belangrijke aspecten rondom concentratie

Stap 3 — Fysieke houding, de praktijk en de duur van de zitmeditatie

Stap 4 — In al je acties echt zijn

Stap 5 — Tijdens alle momenten

Stap 6 — Leer ook wat inzicht meditatie niet is

Stap 7 — Eenvoudige oefeningen voor een perfecte basis

Stap 8 — Op naar de vier fundamenten van indachtigheid!

Extra aanbevelingen

Inleiding

Als je wilt weten wat boeddhistische meditatie echt is en wat het niet is, dan is de pagina De basis van meditatie van SleutelTotInzicht.nl de aangewezen locatie om dit te ontdekken. In eenvoudige taal worden zeer cruciale aspecten belicht die door de tijd heen verloren zijn gegaan. Precies zoals ook de Leer van de Boeddha na verloop van tijd zal verdwijnen, omdat mensen hun eigen verzinsels erop nahouden en leraren en monniken hun eigen persoonlijke opvattingen onderwijzen.

De basis van meditatie bevat een goed methodisch opbouwend stappenplan waarin de mediteerder aangenaam getroffen wordt door een heldere en deskundige uitleg die uiteindelijk leidt tot de beroemde Mahā Satipaṭṭhāna Sutta, de grote toespraak over de vier fundamenten van indachtigheid.

Met ongekende precisie en in eenvoudige bewoording wijst de auteur van SleutelTotInzicht.nl op de cruciale aspecten van de boeddhistische inzicht meditatie. Uiteraard volledig onderbouwd met de woorden van de Boeddha zelf.

Iedereen die echt geïnteresseerd is, kan hier makkelijk en verantwoord leren en ontdekken wat de Boeddha echt heeft onderwezen. En uiteindelijk zelf het doel (Nibbāna) ervaren.

Wees een echte discipel van de Boeddha.

Mediteren is veel meer dan louter op een kussentje zitten. Leer vooral de Dhamma en wees een echte Dhammānuvattī.

Zullen we, voordat we beginnen aan het stappenplan, eerst een blik vooruit werpen zodat je snel een helder beeld krijgt van wat de meditatie van indachtigheid is en waar het uiteindelijk naar toe gaat?

Wat is de meditatie van indachtigheid?

Inleiding

Dit artikel is bedoeld ter introductie van de vier fundamenten van indachtigheid. Hierdoor ontstaat een goed beeld van wat boeddhistische meditatie werkelijk is. Maar let op: deze meditatie vereist een goede voorbereiding! Je kunt links volgen naar deze onderwerpen ter verkenning, maar begin met meditatie zeker eerst in de sectie De basis van meditatie waar stapsgewijs en methodisch naar deze fundamenten wordt toegewerkt.

Verder wordt in dit artikel de fantastische voordelen van de ware boeddhistische meditatie benadrukt.

Een introductie tot de vier fundamenten van indachtigheid

De vier fundamenten van indachtigheid vormen de bases van de ontwikkeling van inzicht (vipassanā). Voor meer, zie satipaṭṭhāna.

Positieve gevolgen van de ontwikkeling van inzicht

Boeddhistische meditatie is erop gericht hart en geest te zuiveren van alle storende invloeden, de zogenaamde bezoedelingen. Het is een gedisciplineerd proces, dat begint met het cultiveren (bhāvanā) van positieve kwaliteiten als welwillendheid of liefdevolle vriendelijkheid (mettā), mededogen (karuṇā) en vriendschap (mitta), meelevende vreugde over het succes van anderen (mudita) en gelijkmoedigheid (upekkha) ten opzichte van de wisselvalligheden van het leven. Dit zijn componenten om het evenwicht en de kalmte of gemoedsrust te bewaren. Bij de beoefening ervan wordt contemplatie ontwikkeld in het kader van geestelijke kalmte (samatha) d.m.v. de juiste concentratie (sammāsamādhi) met het inzicht (vipassanā) dat de waarheid (sacca) verwezenlijkt en de weg naar volmaakte bevrijding (vimutti) verlicht.

De vipassanā methode brengt het verkrijgen van kennis (ñāṇa) door rechtstreekse waarneming met zich mee, hetgeen zelfvertrouwen en geestelijke evenwichtigheid doet ontstaan. Er zijn zes fasen in dit proces: het cultiveren van indachtigheid, het overwinnen van smart en verdriet, het beëindigen van lijden of het onbevredigende, het betreden van het Pad (ariya aṭṭhaṅgika magga), het helder bevatten van hoe de geest werkt. Dit wordt ook genoemd: juiste visie of algeheel begrip, wat het pad naar uiteindelijke kennis zuivert, of: juiste volharding om het doel van de uiteindelijke waarheid of Nibbāna te verwerkelijken. Contemplatie en inzicht werken samen en hun groei wordt gelijktijdig bevorderd. Om aan de intenties van deze manier van meditatie te voldoen, worden de vier fundamenten van indachtigheid gebruikt zoals hierboven opgesomd.

Wat is indachtigheid (sati)? In morele zin heeft het ten eerste te maken met geweten: iemand die waakzaam is ten opzichte van al zijn gedachten en activiteiten van het lichaam, kan het doen van het goede en het vermijden van het slechte bevorderen en de geest zuiveren van alle belemmerende neigingen (anusaya) en invloeden (asava's). Indachtigheid betekent ook oplettendheid of aandachtigheid en zorgvuldigheid. Bij de beoefening van vipassanā meditatie betekent indachtigheid: je volledig gewaar zijn van het huidige moment en de handeling die nu plaatsvindt. Aandachtigheid betekent de focus van het bewustzijn gericht op fysieke en mentale verschijnselen zoals ze zich voordoen. Op dezelfde manier wordt zuivere aandacht aan innerlijke waarneming gegeven, hetgeen men in acht neemt als het zien of kennen van het gevoel, de geestestoestand of het geestelijk object, maar zonder af te dwalen naar mentale associaties omtrent deze toestanden. Zo is indachtigheid een creatieve poging tot alertheid, concentratie en het zich realiseren van alles wat er opkomt als je mediteert.

Een nevenbetekenis is waakzaamheid ten aanzien van de bezigheden in het dagelijks leven, wat onbeperkte toepassingsmogelijkheden biedt. Indachtigheid wordt weergegeven door het gezegde uit de Dhammapada:

029. Onder de onoplettenden, oplettend. Onder de slapenden, klaarwakker. Zoals een snel paard een zwak paard achterlaat, zo wint ook degene met vlekkeloze wijsheid.

appamatto pamattesu suttesu bahujagaro abalassam'va sighasso hitva yati sumedhaso

IJverig en wakker, haalt de wijze de onachtzame in, zoals een snel paard een zwak paard inhaalt.

We zien dus dat indachtigheid een hoedanigheid is die ontwikkeld moet worden, niet alleen door strikte perioden van meditatie, maar ook in de sleur van het dagelijks leven.

Het meest betekenisvolle kenmerk van deze viervoudige satipaṭṭhāna meditatie zoals die tot dusver is beschreven, is de contemplatie van gedachten, zonder onderbreking van het begin tot het einde. Dat is de allerbelangrijkste oefening. Wordt deze meditatie ijverig beoefend, dan stelt het iemand in staat het pad naar Nibbāna te betreden.

Overeenkomstig de Visuddhimagga (Pad van Zuivering) en andere belangrijke boeddhistische teksten, is het voor iemand die deze meditatie wil beoefenen, noodzakelijk om in contact te staan met een kundig en edel leraar (kalyāṇamitta). Dit is uitermate belangrijk, omdat iemand die deze meditatie wil beoefenen, zonder begeleiding door zo'n leraar, misleid kan worden. Echter… toen de commentaren werden opgesteld, was er nog geen internet en geen SleutelTotInzicht.nl. Dankzij de auteur is het niet meer nodig afhankelijk te zijn van een leraar en kun je rechtstreeks met ongekende precisie leren wat de Boeddha werkelijk heeft onderwezen. Want de Boeddha en zijn ware discipelen die het hoogste hebben gerealiseerd, dat zijn de meest voortreffelijke leraren.

Door het beoefenen van de verscheidene secties van de satipaṭṭhāna meditatie als onderdeel van de dagelijkse routine, zal iemand ook bekwaam zijn om zijn leven onder controle te krijgen. Hij zal het op een succesvolle wijze kunnen regelen, en daardoor een leven kunnen leiden van vrede en tevredenheid.

De Boeddha is gestorven toen hij 80 jaar was.

De Boeddha stierf op 80 jarige leeftijd. Zijn laatste woorden reflecteren de kern van zijn Leer (appamāda).

Handa dani bhikkhave amantayami vo: vayadhamma saṅkhāra, appamādena sampadetha.

Welnu, monniken, ik spoor jullie aan: alle samengestelde dingen moeten weer vergaan. Bewerkstellig vastbesloten door waakzaamheid jullie eigen bevrijding.

D16 — Mahā Parinibbāna Sutta — Het grote heengaan

Stap 1 — Makkelijk en verantwoord leren

Neem eerst onderstaande informatie door om het jezelf makkelijk te maken bij het leren (pariyatti) en het oefenen (paṭipatti).

Terugkeren naar de basis van meditatie

Het menu onderaan op de pagina's

Als je straks links hebt gevolgd, kun je altijd weer makkelijk terugkeren naar De basis van meditatie. Onderaan op elke pagina is namelijk een menu weergegeven. Welke links in zulke menu's zijn aangebracht, is afhankelijk van in welke sectie de pagina is ingedeeld.

De sitemap

Daarnaast hebt je ook nog een sitemap tot je beschikking. De sitemap is de centrale locatie die je kunt gebruiken om altijd naar elke gewenste sectie van de website te navigeren. De link voor de sitemap vind je op elke pagina van de website (bovenaan) in het menu.

DefTerm en Kernwoord

De termen in het woordenboek zijn als volgt opgemaakt:

sakkāyapariyāpanna

Links naar de term (DefTerm) in het woordenboek zijn gewoon als reguliere links opgemaakt. Omdat de DefTerm zich al in het woordenboek bevindt heeft die term daar natuurlijk geen link. Je bent immers al op de plaats van bestemming.

Maar vaak is een DefTerm uit het woordenboek als een kernwoord opgenomen in een afzonderlijke pagina of als een belangrijk onderdeel daarvan. Om in zo'n geval aan te geven dat dit een DefTerm in het woordenboek betreft, is die met een link als volgt opgemaakt:

sakkāyapariyāpanna

Dit is gedaan om het kernwoord met een link aan te geven zodat je er eventueel direct naar toe kunt. Dit heeft hetzelfde resultaat als wanneer je met een reguliere link naar een DefTerm in het woordenboek gaat. Het is een belangrijke link omdat het woordenboek de centrale bron is en je daar meer verwijzingen aantreft.

Pagina's en panelen

Van dezelfde content van een uitklapbaar paneel is (doorgaans) ook een pagina beschikbaar. Reden hiervan is om de toegankelijkheid van informatie te bevorderen. De titel van deze twee objecten is consistent hetzelfde.

In enkele gevallen wordt met een link naar een pagina verwezen, terwijl op deze pagina dezelfde content ook hier in een paneel beschikbaar is. De link wordt gebruikt om de informatie vanuit veel perspectieven toegankelijk te maken. De gedachten achter dit systeem is voor jou niet van belang. Dit wel: je hoeft niet altijd zo'n link te volgen als je weet dat er ook een gelijknamig paneel op deze pagina beschikbaar is.

Advies bij de basis van meditatie

Inleiding

Dat je de basis van meditatie goed aanleert is van groot belang. Want straks wordt het de manier waarop je het door heel je leven heen gaat toepassen. In het kijken, luisteren, ruiken, proeven, voelen en denken, altijd en overal, 24/7. Het zal een allesbepalende factor voor jouw geluk worden en een radicale, positieve verandering in je leven teweegbrengen.

In de teksten van De basis van meditatie kun je soms veel links aantreffen. Als je deze links meteen al gaat volgen, bestaat de kans dat je straks de echte basis van meditatie mist doordat je je hoofd vol informatie propt. Dat werkt alleen maar averechts. Maar de links zijn natuurlijk niet voor niets aangebracht: ze zijn bedoeld om op een later tijdstip je kennis stapsgewijs te verruimen.

Het advies is dan ook als volgt:

De eerste kennis opdoen

Leer hier wat boeddhistische meditatie werkelijk is en concentreer je voornamelijk op de tekst zonder (al te veel) links te volgen. Dat wordt voor in het begin veel te veel.

De basis van meditatie is in stappen en methodisch opgebouwd. Bij elke stap is een korte beschrijving gegeven. Per stap zijn uitklapbare panelen weergegeven die de onderwerpen binnen de desbetreffende stap beschrijven.

Ook al is De basis van meditatie methodisch opgebouwd, is het niet de bedoeling dat je één onderwerp gaat lezen en oefenen en dan na enkele dagen of weken pas begint aan het volgende onderwerp. Want dan heb je na al je oefenen geen volledige kennis van hoe het werkt. Daarom is het verstandig om eerst — al is het vluchtig — alle onderwerpen te verkennen. Hier blijf je binnen de uitklapbare panelen. Het gaat dus om de informatie die je als eerst dient te verkennen. Dan weet je op elk vlak wat meditatie echt is en hoe je daar in dient te staan.

Zo kun je met goede kennis van zaken beginnen met het beoefenen. Omdat je eerste verkenning vluchtig was, en je wellicht moet wennen aan dit soort informatie, is het goed om de onderwerpen van tijd tot tijd te herlezen. Zo word je steeds meer vertrouwd met de ware boeddhistische meditatie. Dit is de werkelijke bedoeling van de methodische opbouw.

Eigen ervaring is een belangrijk aspect

Oefen zoals beschreven en wees hier serieus in. Door het in praktijk brengen van de Dhamma doe je eigen ervaring op. Die eigen ervaring is erg belangrijk. Want hierdoor krijg je niet alleen meer zelfvertrouwen, maar de geest zal ook helderder worden waardoor er meer begrip in je ontstaat. Uiteindelijk zal dit begrip transformeren in ware wijsheid dat de voorwaarde is voor de bevrijding van alle lijden. Je zult steeds beter en dieper uit eigen ervaring begrijpen dat dit de enige weg is naar een absoluut en blijvend geluk. Die eigen ervaring is van veel grotere betekenis dan dat iemand dit tegen je zegt. De eigen ervaring is een erg belangrijk aspect binnen de boeddhistische Leer.

Theorie en praktijk in balans houden

Het leren van de Dhamma (in dit geval wat hier beschreven is) en het in praktijk brengen ervan (je meditatie) moet altijd in balans zijn. Als je slechts alleen leest zonder praktijkervaring, stop je je hoofd vol zonder dat je er iets van begrijpt. Van de andere kant gezien kun je ook niet correct oefenen als je niet weet wat de juiste manier hiervoor is.

Herlees de instructies

Kom vaker terug naar De basis van meditatie en lees de informatie van deze gehele sectie zo nu en dan nogmaals door. Zo kun je de manier waarop je oefent steeds wat bijstellen. Want niemand kan alles in één keer perfect doen. Alles moet ontwikkeld (bhāvanā) worden. Dat vergt niet alleen inspanning (padhāna), het vergt ook tijd en geduld (khanti).

Kennis van de Dhamma is essentieel

Wanneer je kennis hebt van de belangrijkste aspecten kun je wat links gaan volgen om je kennis uit te breiden. Want kennis over de Dhamma is uitermate essentieel. Zorg ervoor dat het leren van de Dhamma (pariyatti) en het in praktijk brengen (paṭipatti) ervan, evenwichtig is. Boeddhisme is de weg van het midden (majjhimā paṭipadā), d.w.z. dat het uitersten vermijdt.

Theorie en praktijk gaan samen

Vaak denken mensen dat meditatie zich beperkt tot het urenlang op een kussentje zitten, maar dat is een grote vergissing. Het is een gebrek aan kennis omtrent de Dhamma. Daarnaast wijzen sommige leraren die meditatielessen geven, hun leerlingen er niet of niet nadrukkelijk genoeg op dat meditatie veel meer omvat. En nog erger, er zijn leraren/stromingen die hun leerlingen afraden om de Dhamma te leren… Dit getuigt duidelijk van onwetendheid en disrespect voor onze Leraar. Deze twee, onwetendheid en disrespect, gaan altijd samen, zoals ook respect en begrip samengaan. Vanuit een diep mededogen heeft de Boeddha 45 jaren lang aan de mensen de Dhamma onderwezen zodat zij een einde kunnen maken aan lijden.

Het is haast ongelooflijk, maar er gebeuren heel vreemde dingen, ook binnen het 'boeddhisme'. Daarom heeft de Boeddha altijd gewaarschuwd om niet alles wat mensen je vertellen blindelings aan te nemen. Wees altijd waakzaam, kritisch en onderzoekend van geest!

Het leren of bestuderen van de Dhamma wordt vaak niet als 'de praktische beoefening' gezien. Maar vergis je niet dat meditatie voor 'mentale ontwikkeling' staat. Het Pāḷi woord hiervoor is bhāvanā. De Dhamma belicht hoe dingen zijn en hoe dingen werken. Als je de Dhamma niet kent kun je de Dhamma ook niet in praktijk brengen (paṭipatti). Zo eenvoudig is het.

Door de Dhamma te leren (pariyatti) wordt de Dhamma in je leven geïntegreerd. Je leven wordt ermee verweven, doordrongen. Dan leer je in de sleur van het alledaags leven alle toestanden kennen zodat je met elke situatie kunt omgaan.

Zeg ik nu dat het 'zittend mediteren op een kussen' overbodig of niet belangrijk is? Nee, natuurlijk niet! Het vormt zelfs een basis om in de gang van het alledaagse leven sterker en stabieler te zijn.

De theorie, het leren van de Dhamma, het lezen van toespraken (sutta's) etc., zijn allemaal praktische zaken. Zo komt bijvoorbeeld het vierde fundament van de satipaṭṭhāna training neer op het bespiegelen van de Dhamma (dhammānupassanā). Ook dit is zowel een theoretische als een praktische oefening. Theorie en praktijk worden alleen als twee apart van elkaar bestaande zaken beschouwd wanneer iemand de samenhang niet ziet. Er is dan ook een groot verschil tussen de niet-geïnstrueerde wereldling en de geïnstrueerde edele discipel. Zie dhammānuvattī.

Het leren van de Dhamma (pariyatti) is één van de voorwaarden om in de stroom te treden (sotāpattiyaṅga). In het boeddhisme draait het allemaal om begrijpen.

724. "Er zijn mensen die niet begrijpen wat lijden is. Zij weten niet waar het vandaan komt, waar het volledig ophoudt, en zij kennen het Pad niet, de manier om het lijden te doen ophouden."

725. "Dus, in hun geringe kennis omtrent het bevrijden van de geest (cetovimutti) en (daarom) geen bevrijding kunnen verwerven door wijsheid (paññāvimutti), zijn zij niet in staat een einde aan lijden te maken. Zij gaan alsmaar door met geboren worden en tot ouderdom komen."

Snp3-12 — Dvayatanupassana Sutta — Tweevoudige bespiegeling

Het maakt niet uit wie je bent of waar je vandaan komt, maar waar je naar toe wilt.

De Dhamma is voor iedereen, voor jong en oud. Het maakt niet uit wie je bent of waar je vandaan komt, maar waar je naar toe wilt. Dhamma leren is een voorwaarde om in de stroom te treden (sotāpattiyaṅga). Wees een echte Dhammānuvattī.

Stap 2 — Belangrijke aspecten rondom concentratie

Leer wat concentratie is, wat de dingen zijn die tot rust gebracht moeten worden en hoe dat werkt.

De drie algemene stadia in inzicht meditatie

Inleiding

In inzicht meditatie zijn er altijd drie belangrijke stadia die elkaar stapsgewijs opvolgen en tot begrip oftewel wijsheid leiden. Het is aandacht schenkenzienbegrijpen. Of je nu mediteert op de ademhaling, op gevoelens, de staat van de geest of wat dan ook, deze aspecten vormen altijd de essentiële stadia in de ontwikkeling van inzicht.

Aandacht schenken

In het eerste stadium dien je niets anders te doen dan louter aandacht (āvajjana) te schenken aan zien, aan horen, aan gedachten etc. In het zien is er slechts zien, in het horen is er slechts horen etc., zonder allerlei associaties. Het is een kwestie van gewoon accepteren wat er is (maar niet in de zin van onderwerping), accepteren wat je waarneemt en geen weerstand bieden. Dit heeft als effect dat de stroom van willekeurige gedachten, associaties met ideeën en de innerlijke stem (vacīsaṅkhāra) onder controle wordt gehouden. Vanwege vastgeroeste patronen moet je vastberaden zijn in het oefenen, om deze afdwalingen in het begin meer dan een paar seconden onder controle te krijgen. Het kan en het zal spoedig zegenrijk blijken.

"Hier (idha), Bahiya, moet je jezelf aldus trainen: 'In hetgeen men ziet, zal slechts zijn wat gezien is; in hetgeen men hoort, zal slechts zijn wat gehoord is; in hetgeen gevoeld wordt, zal slechts zijn wat gevoeld is; in hetgeen men waarneemt, zal slechts zijn wat waargenomen is.' Op deze manier moet je jezelf trainen, Bahiya[1]."

"Als, Bahiya, in hetgeen je ziet, slechts is wat gezien is; in hetgeen je hoort, slechts is wat gehoord is; in hetgeen je voelt, slechts is wat gevoeld is; in hetgeen je waarneemt, slechts is wat waargenomen is, dan, Bahiya, zul je niet 'daarbij' horen; als, Bahiya, je niet 'daarbij' hoort, dan, Bahiya, zul je niet 'daarin' zijn; als, Bahiya, je niet 'daarin' bent, dan, Bahiya, zul je noch hier, noch aan de andere zijde, noch tussen beide in zijn. Precies dit is het einde van lijden."

Ud1-10 — Bahiya Sutta — Bahiya

Zien

Het tweede stadium van meditatie treedt op wanneer je waakzaam bent geworden ten aanzien van een van de zes zintuigen. Het bestaat uit de respectievelijke zintuigbasis en het zintuigobject dat erbij betrokken is (āyatana), terwijl je nota neemt van elke band/keten (kāmaguṇa) van aantrekkingskracht of afkeer (anurodhapaṭivirodha) die de onverlichte geest kan bezwaren. Gewaarzijn (vijānana) van deze toestanden is het doel in dit stadium. Echter, voordat gewaarzijn ontwikkeld kan worden moet het object eerst gezien (passati) worden. Dit is gelijk aan het ontdekken. De training in aandacht is leven in het moment waarbij alle oude dingen die eerder vergaard zijn (upadhi) overboord worden gegooid en zodoende het nieuwe kan worden ontdekt. Daarom is boeddhisme een ontdekkingstocht.

Begrijpen

Ten derde dien je de ketenen en banden (kāmaguṇa) die ontstaan door de zes inwendige en uitwendige zintuigsferen (saḷāyatana) te leren kennen en duidelijk te begrijpen (sampajañña), op te merken hoe ze ontstaan, hoe ze zich manifesteren en dan weer verdwijnen. Contemplatie zal je in dit stadium onthullen hoe ze op een natuurlijke wijze losgelaten worden en hoe je voortaan kunt voorkomen dat ze opnieuw ontstaan. Deze weg leidt tot overwinning van Het zelf en beheersing over het leven.

Wees in mentaal opzicht als de onbeweeglijke kikker.

Lees straks ook eens Wees altijd als een passieve toeschouwer. Want meditatie is niet louter op een kussentje zitten. Het behelst ook de mentale houding onder diverse toestanden en gebeurtenissen in de sleur van het dagelijks leven.

Concentratie wordt vaak verkeerd uitgelegd

samādhi

'Concentratie'. Letterlijk: 'plaatsing hier samen'.

Concentratie is een synoniem voor geestelijke eenheid (ekaggatā); kalmte (samatha); onverstoorbaarheid (avikkhepa).

Deze synoniemen doen echter vaak het idee ontstaan dat concentratie altijd tot het gewenste doel leidt en als zodanig uitgelegd wat een misvatting is. Zo wordt concentratie vaak in één adem als kalmte (samatha) uitgelegd. Dit is te kort door de bocht, want waarmee in zo'n geval geen rekening gehouden wordt, is dat concentratie een neutrale mentale factor is (zie cetasika). D.w.z. dat de concentratie gericht kan zijn op zowel heilzame (kusala) als onheilzame (akusala) dingen (objecten) wat dan ook tot verschillende gevolgen leidt. Vandaar dat we spreken van juiste concentratie (sammāsamādhi) dat leidt tot juist begrip (sammādiṭṭhi) en verkeerde concentratie (micchāsamādhi) dat leidt tot verkeerd begrip (micchādiṭṭhi).

Wanneer de concentratie gericht is op een verkeerd object, dan worden we daardoor niet rustig, maar juist onrustig. Maar als de concentratie gericht is op een goed object, bereiken we die gewenste kalmte wel. Verkeerde concentratie is het pad van Māra. Juiste concentratie is het Pad van de Boeddha. En dat maakt een groot verschil, een verschil tussen diepe duister en helder licht. Wie stelt dat concentratie tot kalmte leidt is dan ook onzorgvuldig en onvolledig in zijn uitleg.

Net zoals elke soort van bewustzijn (viññāṇa) ook niet als vanzelfsprekend tot bevrijding (vimutti) leidt, is er een groot verschil tussen de verschillende typen bewustzijn. Bewustzijn heeft de functie (de bedoeling) om totaal gewaar te zijn oftewel om helderheid van bewustzijn (sampajañña) te verkrijgen en daardoor de bevrijding van de geest.

Zo heeft ook concentratie een functie, namelijk om het doel — Nibbāna — te bereiken. Dit is alleen mogelijk om de juiste concentratie (sammāsamādhi) aan te wenden. Alleen in dit perspectief is concentratie een synoniem voor kalmte (samatha) en overige synoniemen.

Hoe werkt concentratie?

samādhi

'Concentratie'. Letterlijk: 'plaatsing hier samen'.

Concentratie is een synoniem voor geestelijke eenheid (ekaggatā); kalmte (samatha); onverstoorbaarheid (avikkhepa).

Inleiding

Wat we willen bereiken is innerlijke harmonie, rust, vrede, kalmte. Maar wat is daarvoor nodig? Maakt het iets uit waar we ons mee bezigen, waar onze interesse naar uitgaat? Of zijn dit juist allesbepalende zaken?

Harmonie of verdeeldheid

De functie van concentratie is om de geest tot eenheid (ekaggatā) te brengen. D.w.z. dat de geest niet verdeeld of versnipperd is.

De betekenis van geest (mano) en bewustzijn (viññāṇa) en de staat van bewustzijn (citta) ligt dicht bij elkaar. Maar voor nu is het niet belangrijk om de verschillen heel exact te kennen. Want hier zullen we de hoofdlijnen aanhalen waar het in essentie om draait, namelijk concentratie (samādhi) en aandacht (āvajjana).

Zoals bij veel dingen, zijn ook hier twee kanten van belang waarvan het belangrijk is deze kanten of richtingen te begrijpen. Wanneer de geest (mano) oftewel de aandacht (āvajjana) tot eenheid is gebracht, gaat dit richting harmonie, vrede (vūpasamaya). Wanneer hij verdeeld of versnipperd is, gaat het richting disharmonie, onvrede. Het eerste vermindert het lijden en maakt er een einde aan. Het tweede maakt het groter en houdt het in stand.

Als de geest tot eenheid is gebracht, is hij heel. Als hij heel is, kan hij echt en dus helder zien (waardoor hij ook kan ontdekken (passati)). Dan is het bewustzijn helder. En doordat er een helder zien is, is er helder begrip (sampajañña). Het bewustzijn is dan gezuiverd (pārisuddhi). Dit is waar het om gaat omdat de zuivering van de geest (cittapārisuddhi) de voorwaarde is voor een helder begrip en zodoende diepe wijsheid kan voortbrengen dat noodzakelijk is voor de bevrijding (vimutti) van lijden (dukkha). Maar als de geest niet heel is, niet tot eenheid (ekaggatā) is gebracht, is hij verdeeld en bevuild (asava). De aandacht is dan versnipperd, afgeleid (vikkhittacitta) en de geest onrustig.

Wat betekent het als de geest verdeeld of versnipperd is? Het is wanneer de aandacht wordt getrokken door iets, als je afgeleid bent, door iets in beslag genomen bent. De aandacht is dan niet meer recht voor je of bij datgene wat echt van belang is. Hierdoor mis je wat echt belangrijk, betekenisvol is. Je begrijpt dan niet echt — zeker niet in diepe zin — in welke situatie je jezelf bevindt, wat er precies aan de hand is. En dit is juist zo betekenisvol. Zo leven wij bijvoorbeeld in een wereld die vergankelijk is, maar omdat de meeste mensen dit niet diep in hun hart begrijpen, klampen ze zich overal aan vast, dan weer hier, dan weer daar (S56-011) en begrijpen niets van het gevaar (ādīnava) dat daarin schuilt. Hier zullen we nu niet verder over uitweiden, maar als je het werk goed doet zul je dit straks vanzelf en op een natuurlijke manier, door je eigen ervaring, steeds beter gaan begrijpen. Want als je niet meer ingaat op de dominante eisen van de geest om overal op te reageren en in betrokken te raken (voeding geven aan (āhāra)), betekent dit dat hij steeds minder of niet meer vastgrijpt (anupādāya). De geest die niets vastgrijpt komt tot eenheid (ekaggatā), tot kalmte (samatha) en uiteindelijk tot die diepe vrede (vūpasamaya) waar de Boeddha het in zijn eerste toespraak (S56-011) over had.

Door niet vast te grijpen (anupādāya) verzamelt (upadhi) hij niet en raakt hij niet verontreinigt (asava). In plaats daarvan zal hij zich ontdoen van zijn eerder verzamelde (upadhi) ballast (anupādisesanibbāna) en wordt hij als een rimpelloos meer dat alles helder weerkaatst. Om dit te bereiken is het essentieel om de manier te begrijpen hoe je het doel bereikt. Wat erg motiverend zal zijn, is dat je elke situatie steeds beter uit eigen ervaring (veditabba) zult gaan begrijpen, mits je de instructies van de Leraar, de Sammāsambuddha, serieus neemt en correct opvolgt. Dit brengt geen nadeel, maar voordeel. Altijd en overal.

De tot eenheid gebrachte geest is als een heldere spiegel

De heelheid van geest en de verdeelde geest zou ik willen verduidelijken met een spiegel. Een spiegel die aan de muur hangt weerspiegelt alles wat zich voor de spiegel bevindt. De spiegel weerspiegelt het hele gebeuren, de totaliteit van wat er op elk moment zich voor de spiegel afspeelt oftewel de realiteit. Die weergave is niet gebaseerd op een leugen. Het is een eerlijk beeld, niet misleidend. Dit kun je vergelijken met de tot eenheid gebrachte geest (ekaggatā) die kalm (samatha) is en de totale realiteit (sacca) kan zien.

Maar als de spiegel van de muur valt en in duizenden stukjes uiteen barst, is de spiegel verdeeld, versnipperd. Elk stukje kan nu slechts een klein deeltje weerspiegelen, niet het hele beeld, niet de totaliteit. En ook als je al die stukjes aan elkaar zou lijmen, dan vertoond de spiegel scheuren die als kloven tussen de delen bestaan. De kloven verdelen de eenheid, werken de eenheid tegen. Dit kun je vergelijken met de verdeelde of versnipperde geest die alles in hokjes plaatst. In afzonderlijke dingen en gebeurtenissen waardoor hij de samenhang ervan niet ziet.

Concentratie kan leiden tot fixatie

Concentratie (samādhi) kan de geest tot eenheid (ekaggatā) brengen, maar concentratie kan ook leiden tot fixatie. Wanneer je gefixeerd bent op een punt, op een of ander object, sluit dit alles wat daar omheen is uit. Het levert een beperkte visie dat lijkt op het kijken door een sleutelgat. Zintuiglijk verlangen (kāmacchanda) speelt hierin de sleutelrol en staat een harmonieuze, vredige staat van de geest, ernstig in de weg.

Een tot eenheid gebrachte geest daarentegen, kan de totaliteit, het totale gebeuren, het totale plaatje zien. Op elk moment begrijpt hij elk afzonderlijk ding (dhamma) en elke toestand. Het belangrijkste aspect hierin is de eigenschap van opkomen (uppada) én vergaan (vaya) van alle dingen, van alle toestanden. Hij ziet en begrijpt dat alles in een voortdurende staat van verandering (vipariṇāma) is.

Precies zoals een hand ook twee kanten heeft, ook zo kan hij van alles twee kanten zien. De belangrijkste oorzaak hiervan is, dat hij geen voorkeur en geen afkeer heeft (anurodhapaṭivirodha): hij omarmt niets en hij duwt niets weg. Zo is er geen verdeeldheid, maar eenheid. Dit is van essentieel belang, want alleen zo kan hij openstaan voor alles wat er is, alles onderzoeken (dhammavicaya) en zodoende de realiteit (sacca) van alle dingen zeer helder zien en begrijpen (sampajañña).

De tot eenheid gebrachte geest (ekaggatā) ziet niet slechts elk afzonderlijk ding of toestand op zich, maar alle oorzaken en gevolgen die ermee samenhangen. En niet op één moment, maar voortdurend. Altijd en overal. Dit is totaal helder gewaarzijn (sampajañña) waar de Boeddha voortdurend op wijst. Omdat iemand de belangrijkste aspecten van alle verschijnselen diep in het hart begrijpt, namelijk het opkomen (uppada) en het vergaan (vaya), grijpt hij zich nergens in de wereld (van het oor, het oog, de neus, de tong, het lichaam en de geest) aan vast. En omdat hij zich nergens aan vastgrijpt is zijn geest bevrijdt (vimutti).

Wat zijn mentale associaties?

Vaak worden mentale associaties uitgelegd als het onbewust verbinden van de ene gedachte met de andere. Maar vanuit boeddhistisch perspectief gezien beslaat het begrip mentale associaties een veel breder gebied dan alleen gedachten.

Het mentale gebied is in de boeddhistische Leer gedefinieerd als gevoelens (vedanā), waarnemingen (saññā) mentale formaties (saṅkhāra) en bewustzijn (viññāṇa). Mentale associaties betreft de verbanden tussen deze gedefinieerde groepen.

Deze groepen omvatten dus ook gedachten, herinneringen, ervaringen, boosheid, zorgelijkheid, onrust, kalmte, vreugde, een visie, een innerlijke stem etc. Kortom: elke mentale staat die kan opkomen/ontstaan (uppajjati). Al deze fenomenen kunnen onderlinge verbanden hebben. Het vastgrijpen (upādāya), het reageren erop, het voeding (āhāra) geven, leidt tot toename (papañca), tot het geconditioneerde (saṅkhata). Zo raakt de geest dus steeds voller waardoor hij steeds slechter gaat functioneren, want een volle geest kan niet bevatten, niet begrijpen. Mentale associaties oftewel mentale activiteiten, moeten daarom tot rust gebracht worden (sabbasaṅkhārasamathāya). In boeddhistische meditatie is het dan ook van groot belang dat alle staten van de geest (citta) goed gezien en begrepen worden waarin aandacht (āvajjana) de vooraanstaande rol heeft omdat aandacht de eerste fase is in de cognitieve opeenvolgingen. Het beschouwen van de geest (cittānupassanā) is één van de fundamenten van indachtigheid (sati).

Wie zich wil verdiepen in de boeddhistische Leer dient te begrijpen dat er niet één enkel fenomeen is — fysiek of mentaal — dat op zichzelf kan bestaan. Met andere woorden: het ene ding ontstaat uit het andere ding. Alles wat ontstaat, is afhankelijk van een voorwaardelijke conditie (paccaya) ontstaan (er gaat altijd iets aan vooraf). Daarom zegt de Boeddha dat een allereerste begin van dingen niet waarneembaar is. Mentale associaties zijn allemaal reacties op reacties.

Van het een ontstaat het ander

Wanneer dit er is, ontstaat dat. Wanneer dit er niet is, kan dat niet ontstaan. Iets kan alleen ontstaan uit iets anders als er een afhankelijkheid is. Wanneer die afhankelijkheid van iets er niet is, kan daar niets uit ontstaan.

Stap 3 — Fysieke houding, de praktijk en de duur van de zitmeditatie

De beste resultaten in meditatie bereik je wanneer je in je streven natuurlijk en ondwangmatig tewerk gaat.

De houding in meditatie

In dit artikel kort over de houding. Omdat iedereen in de gelegenheid moet zijn om op de juiste manier te mediteren, zullen we ook verduidelijken dat je niet per sé lenig hoeft te zijn.

In de toespraken zegt de Boeddha doorgaans:

"Hierin (idha), monniken, zit een monnik neer die naar het woud is gegaan, naar de voet van een boom, of naar een lege ruimte, buigt zijn benen kruiselings in zijn schoot, houdt zijn lichaam rechtop en wekt indachtigheid op omtrent het object van meditatie (…)."

De uitspraak 'buigt zijn benen kruiselings' wordt meestal door oosterse mensen aangenomen, maar voor de meeste westerse mensen is dat erg moeilijk. Maak je hierom niet druk, want de ontwikkeling van inzicht is niet afhankelijk van een lotushouding. Wie niet in een lotushouding kan zitten, kan gewoon op een stoel gaan zitten of op de knieën met een stevig kussen of een bankje ter ondersteuning. Als je op een stoel zit, plaats je je voeten op de grond.

Zorg ervoor dat je comfortabel zit. Als je niet comfortabel zit is het moeilijk jezelf te concentreren. Je moet gemakkelijk zitten maar de ruggengraat moet rechtop gehouden worden zonder slapte of overdreven stijfheid. De Boeddha leert de middenweg (majjhimā paṭipadā). Recht je rug, alsof je vanuit je kruin aan een haakje omhoog getrokken wordt. Je nek en je ruggengraat vormen als het ware één lijn. Je kin is iets naar beneden gericht. Zulk een houding doet dienst om je beter oplettend te laten zijn. Je dient daarom ook nergens tegenaan te leunen. Als je ergens tegenaan leunt zul je minder aandachtig zijn.

De handen kunnen losjes op de schoot of op de benen worden gelegd. Een originele manier in Theravāda boeddhisme is dat de rechterhand met de rug op de palm van de linkerhand rust. Deze houding heeft overigens geen betekenis afgezien van het feit dat het een goede manier is om de armen te ontspannen. Veel mensen houden de duim en de wijsvinger tegen elkaar wanneer zij mediteren, maar in Theravāda is het erg belangrijk nergens iets achter te zoeken. In het Theravāda heeft zo'n houding dus geen betekenis omdat het geen enkel doel dient.

De ogen moeten gesloten zijn omdat anders je geest te veel wordt afgeleid door uiterlijke dingen; de lippen zijn gesloten en het puntje van je tong raakt het boven verhemelte om te voorkomen dat er steeds speeksel naar buiten stroomt.

De handpositie in meditatie volgens de Theravāda traditie.

De handpositie in meditatie volgens de Theravāda traditie.

Deze handpositie wordt niet in de Theravāda traditie gebruikt.

Deze handpositie wordt niet in de Theravāda traditie gebruikt.

Neerzitten en dagelijkse activiteiten

Meditatie behelst het aandachtig zijn zowel gedurende de 'zittende meditatie' als 'tijdens welke gelegenheid dan ook' oftewel gedurende de gewoonlijke activiteiten tijdens het dagelijks leven. Je zou het de 'basistraining' en de 'praktijktraining' kunnen noemen. De basistraining kan je zien als iemand die naar school gaat om zich te bekwamen in bepaalde vakken. De praktijktraining kan gezien worden als het dagelijkse leven, het speelveld waar het geleerde in praktijk wordt gebracht en verder door ervaring wordt uitgediept. In de toespraken geeft de Boeddha dan ook een onderscheid aan.

Onderstaande citaten tref je allebei aan in bijvoorbeeld M118. Het eerste in D22.

Basistraining

In het volgende voorbeeld duidt de Boeddha expliciet op de zittende meditatie ('zit een monnik neer') hetgeen de basistraining is voor het optimaliseren van gewaarzijn (vijānana) in het algemeen. De meditatie op de ademhaling is erg belangrijk, zeker voor beginners. Het object van meditatie kan echter verschillend zijn.

"Hierin (idha), monniken, zit een monnik neer die naar het woud is gegaan, naar de voet van een boom, of naar een lege ruimte, buigt zijn benen kruiselings in zijn schoot, houdt zijn lichaam rechtop en wekt indachtigheid op omtrent het object van meditatie (…)."

Deze basis leggen in je meditatiekamertje is erg gunstig omdat je dan niet afgeleid bent door diverse dingen. Je kunt ook ergens fijn op een rustige plek in de natuur gaan zitten en bijvoorbeeld een van de onderwerpen van de Dhamma overdenken zoals de vijf groepen van hechten (pañcupādānakkhandhā) of een van de andere onderwerpen van de Dhamma (zie dhammānupassanā). Wanneer deze kennis, wat in het begin nog conceptueel (anubodhañāṇa) is, gestaag door eigen ervaring (veditabba) in je hart tot ontwikkeling komt, zal het je hele leven van onschatbare waarde zijn. Wie de ware Dhamma echt beoefent zal ervaren dat er zich vaak een verborgen schat openbaart die voorheen niet werd gezien. De echte beoefenaar van de Dhamma zal van tijd tot tijd vlagen van geluk ervaren. Zomaar, spontaan, zonder dat je daar 'iets voor nodig hebt'. Het zijn de gevolgen of vruchten (phala) van het pad dat je praktiseert.

Praktijktraining

Hier ondersteunt de basistraining het helder totaal gewaarzijn (sampajañña) tijdens de dagelijkse activiteiten (de praktijktraining) in algemene zin.

Tijdens de 'praktijktraining' kunnen dankzij de 'basistraining' waarnemingen, gevoelens, de staat van de geest, mentale objecten etc. dieper en duidelijker beschouwd worden.

In het volgende voorbeeld verwijst de Boeddha expliciet naar de dagelijkse activiteiten ('tijdens welke gelegenheid dan ook'). (Dit is een voorbeeld, de tekst in de sutta's kan ook verschillen.)

"Monniken, tijdens welke gelegenheid dan ook een monnik leeft (…)."

De volgende meditatie objecten zullen je in het begin nog vreemd zijn, maar naarmate je kennis toeneemt en je ervaring opdoet, raak je er steeds meer vertrouwt mee. Het gaat erom om voortdurend waakzaam (appamāda) te zijn tijdens alle activiteiten, 24/7. Het waakzaam zijn m.b.t. wat door de poorten van de zintuigen komt, vormt steeds het hoofditem en kun je altijd in alle omstandigheden trainen.

Je kunt van tijd tot tijd eens de nadruk leggen op de posities van het lichaam (kāyānupassanā). Een andere keer neem je jezelf voor om een tijdje specifiek goed naar je gevoelens te kijken die onder bepaalde omstandigheden opkomen (vedanānupassanā), en weer een andere keer kies je de staat van de geest als meditatie object (cittānupassanā).

Zoals gezegd zul je steeds meer vertrouwt raken met deze belangrijke fundamenten van meditatie. Langzaamaan zul je steeds beter gaan begrijpen wat er zich afspeelt, wat gevoelens, herinneringen etc. met je doen. Of je in beslaggenomen bent door gedachte- en gewoontepatronen. Of je helder kunt nadenken en steeds nieuwe dingen kunt ontdekken, of juist niet.

Zo kun je langzaamaan de diverse objecten afzonderlijk en gestaag wat langere periode achtereen beoefenen. Uiteindelijk wordt het een leefwijze en een goede gewoonte, een 'pathway' en zullen deze oefeningen in elkaar overgaan, zich met elkaar versmelten. Dwing jezelf nergens toe maar oefen wel. Als je de middenweg (majjhimā paṭipadā) in acht houdt, zullen alle belangrijke objecten van meditatie zich ongedwongen en op natuurlijke wijze in je hart ontwikkelen. Het hart dat de Dhamma ziet brengt een onbeschrijfelijk geluk voort. Aho sukhaṁ!

Tot slot

Zo zie je dat meditatie niet alleen op een kussentje zitten is. De 'basistraining' en de 'praktijktraining' moeten we niet als twee afzonderlijke delen van onze meditatie beschouwen. Ze moeten met elkaar verweven zijn en elkaar aanvullen zodat ons gehele leven een meditatief leven is. Als we goed begrijpen wat meditatie werkelijk is, dan hoeven we niet elke dag in ons meditatiekamertje op een kussentje te zitten. Het ware meditatieve leven speelt zich af tijdens alle activiteiten en omstandigheden in het leven zelf.

In de sectie De basis van meditatie zijn meerdere eenvoudige voorbeelden beschikbaar die je kunt afwisselen en zo langzaamaan naar de originele Satipaṭṭhāna training kunt toewerken. En wat niet moet worden vergeten, is dat het overdenken van de (ware) Dhamma en het lezen van sutta's ook onder een meditatief leven valt. Leef met veel respect voor de Boeddha in je hart.

De Boeddha

Hoe vaak en hoe lang mediteren?

Hoe vaak mediteren?

Vaste tijden zijn niet noodzakelijk, maar voor je eigen dagindeling kan het wellicht handig zijn. Bepaal altijd wat voor jou het beste uitkomt. Niet dat je altijd op die en die tijd moet mediteren. Per dag mag dat dus gerust verschillend zijn. Zorg dat je jezelf ruimte geeft en je jezelf niets oplegt. Een meditatief leven moet een natuurlijk proces zijn; jezelf niks opleggen maar je moet er ook niet slap in staan. De dag beginnen en afsluiten met de ademhaling meditatie is een heel goed begin. Kun je vaker, dan is dat alleen maar goed.

Tijdens je dagelijkse bezigheden (bijvoorbeeld op de fiets, tijdens winkelen etc.) kun je ook zo nu en dan even specifiek op je ademhaling letten. Dat is altijd mooi meegenomen, ook al is het maar een paar minuten.

Hoe lang mediteren?

Er zijn mensen die een klok zetten om een bepaalde tijd 'vol te willen mediteren'. Helemaal fout! Het is een vorm van innerlijke slavernij waar we juist vanaf moeten. Hier wordt het doel niet begrepen, want het gaat niet om de duur van meditatie, maar om de kwaliteit ervan. Als je jezelf vastklampt aan het idee dat je een half uur moet zitten, en intussen gaat je lijf zeer doen, zul je jezelf dwingen dat half uur vol te maken. Dan gaat het meer daar om dan om meditatie zelf. Het gaat niet om de ontwikkeling van slavernij, maar om de bevrijding ervan. Dat kan alleen door de ontwikkeling van inzicht. Zorg er altijd voor dat je comfortabel zit, anders kun je jezelf niet goed concentreren waardoor de kwaliteit van je meditatie erbij inschiet.

Je kunt beginnen om de eerste dagen een paar minuten per keer te mediteren. Dit kan je stapsgewijs uitbreiden naar 5 minuten, naar 10 minuten, naar 15 minuten of langer. Vaker per dag een korte tijd mediteren is beter dan één keer lang. Want door een herhaling wordt het eerder eigen en zul je in je dagelijkse bezigheden ook vaker aandachtiger zijn.

Geen ideeën volgen, maar je gezonde verstand gebruiken en er onbevangen in staan is gewoon prima, normaal en natuurlijk.

Het is belangrijk niet dwangmatig te zijn, en ook om niet te snel af te haken als het even niet zo goed lukt. Dat is niet erg en heel normaal. In meditatie moet je geduldig zijn en geen verwachtingen koesteren dat het 'goed gaat'. Wanneer het minder gaat, is dat zeker een aanleiding om juist vastbesloten te zijn en door te gaan, maar zonder dwangmatigheid want daardoor mis je juist het doel.

Stap 4 — In al je acties echt zijn

In deze stap leer je belangrijke dingen die je algehele handelen in al je acties heel echt maken. Het is doordat er geen dwangmatigheid, gekunsteldheid of andere onderliggende tendensen bij betrokken zijn. Dit is de voorwaarde dat er 'niets geactiveerd wordt'. Leer wat dit betekent want het is heel erg belangrijk.

De manier om het doel te bereiken

De manier om het doel — Nibbāna — te bereiken is om in alles wat je zegt, doet en denkt heel echt (akuttima) te zijn.

Wanneer het in je meditatie, en dus ook in het observeren tijdens de sleur van het dagelijks leven, niet zo gaat zoals je het zou willen (of niet snel genoeg), ben je geneigd daar iets aan te doen. Maar hier steekt het belangrijkste obstakel voor succes de kop op. Zodra jij er iets aan probeert te doen, gaat het mis. Dat is vanwege de bemoeienis van het 'ik'. Het zijn de ideeën van 'ik' die een algemene drijfveer vormen tijdens allerlei toestanden. Het 'ik' is niet echt, waar en werkelijk. Het is dan ook essentieel te begrijpen dat het 'ik' niet tussenbeide moet komen, niet dominant moet zijn. Als dit meespeelt zal dit onnatuurlijke acties teweegbrengen (pātubhāva). Het brengt je niet bij het doel want Nibbāna is het echte, het ongekunstelde (anatam). De bemoeienis van het 'ik' houd je hier juist van weg, verwijdert je ervan. Zie het 'ik' als de vriend van Māra de misleider. En die is de meest slechte vriend (pāpamitta).

Een doel bereiken zonder dat je dat wilt, is niet mogelijk. Inspanning (padhāna) is nodig. Maar die inspanning moet gebaseerd zijn op de wil (chanda), en niet worden gedreven door een zintuiglijk verlangen (kāmacchanda) waardoor je 'het doel voorbijschiet'. Hierin dien je duidelijk het onderscheid te zien. Want zintuiglijkheid betekent begeerte (taṇhā). Vanwege begeerte (taṇhā) in deze, is er sprake van 'het doel willen hebben' en daarom van dwangmatigheid, een niet natuurlijke, gekunstelde (kutta) manier, waardoor het doel alleen maar verder weg komt te liggen. De Boeddha leert in alles de middenweg (majjhimā paṭipadā). Deze middenweg kun je niet 'pakken'; het kan alleen door training worden ontwikkeld (bhāvanā).

En wat is de allerbelangrijkste manier om je goed te ontwikkelen in deze training? Met de bemoeienis van het 'ik' met al z'n ideeën en pogingen om de zaak in goede banen te leiden, wordt het een gekunsteldheid dat tot mislukken gedoemd is. Weet dat aandacht (āvajjana) de eerste fase is in de cognitieve opeenvolgingen. Dus aandacht is essentieel en die hoort zo puur mogelijk te zijn, d.w.z. louter aandacht schenken aan wat er is, zonder de tussenkomst van wat dan ook. Daarom is het belangrijk dat het 'ik' daar tussenuit blijft; die moet niet het werk voor jou doen. Het is een kwestie van louter aandacht schenken en meer is het niet. Want zonder de tussenkomst van het 'ik' kan en zal aandacht het werk voor jou doen. In het begin zal dit niet makkelijk zijn, maar als je standvastig bent in het louter aandacht schenken en je nergens voeding (āhāra) aan geeft, kan het niet anders dan dat de geest tot rust komt.

Wees in mentaal opzicht als de onbeweeglijke kikker.

Wees altijd als een passieve toeschouwer, precies zoals deze kikker. Hij laat het 'ik' niet tussenbeide komen. Hij is stil, observeert slechts en doet verder niets. Dit leidt tot juist begrip (sammādiṭṭhi), tot wijsheid, tot bevrijding (vimutti).

De manier van ademen

kamma

Inleiding

In dit artikel zullen we de manier van ademen aanwenden als een manier van handelen die straks met heel je leven verweven zal zijn. De kern hierin is dat als we er vaardig in zijn, deze ongedwongen, niet gemaakte manier van handelen, voorkomt dat je kamma maakt.

Een natuurlijke en echte manier

De oefening van de indachtigheid van ademen (ānāpānasati) behelst geen opzettelijke of gekunstelde poging om de ademhaling te manipuleren, maar een aanhoudende inspanning om het gewaarzijn op de ademhaling te vestigen wanneer deze in en uit beweegt op zijn natuurlijke ritme.

Zoals we hebben geleerd in De manier om het doel te bereiken, is opzettelijkheid en/of gekunstelde pogingen het werk van het 'ik'. Dit zijn namelijk zaken die leiden tot het maken/genereren van kamma. Precies gezegd: kammacetanā. Dat is omdat dat 'ik' kamma activeert (nisaṅkhiti). Je hoeft dit nu nog niet per sé te begrijpen, maar opzettelijkheid betekent een wilshandeling (cetanā) met het 'ik' als drijfveer erachter waardoor we kamma maken. Dit betekent dat de handeling (nog) niet zuiver en echt is. Zolang we kamma maken kan het doel — Nibbāna — niet worden bereikt. Het gaat hier o.a. om de vaardigheid (cittapaguññatā) van de geest die ontwikkeld moet worden.

"Wilshandelingen (cetanā), monniken, is hetgeen dat ik kamma noem (cetanaham bhikkhave kammam vadami), omdat iemand door het te willen de handeling uitvoert met het lichaam, met de spraak, of met de geest."

A06-063

Manipulatie leidt tot dwangmatigheid hetgeen een begeerte (taṇhā) impliceert. Maar in het boeddhisme staat het vrijelijk handelen, handelen zonder dwangmatigheid of zonder opzettelijkheid, erg centraal. Indachtigheid is essentieel, maar als het afgedwongen wordt is het geen ware indachtigheid. Ware indachtigheid leidt tot innerlijke vrijheid (vimutti), maar die vrijheid kan niet dwangmatig verkregen worden. Het leidt er juist van weg.

We moeten actie ondernemen, maar als die actie vooropgezet (sasaṅkhārikacitta) is, als we vanuit een idee tewerk gaan, is de actie afhankelijk (nissita) van iets (gedachten, ideeën). Dan spelen er allerlei dingen (saṅkhāra) in de geest. Al die dingen moeten tot rust gebracht worden (sabbasaṅkhārasamathāya). Want als we ze in stand houden kan er geen sprake van vrijheid zijn. Saṅkhāra staat voor 'formaties', 'samengestelde dingen'. Door het voeding (āhāra) geven eraan, er op te reageren, blijven ze steeds opkomen (uppajjati) en vermeerderen (papañca) waardoor er geen kalmte (samatha) kan zijn. Zonder de verlichtingsfactor kalmte (passaddhisambojjhaṅga) kan er geen sprake van helder begrip (sampajañña) zijn waardoor het bereiken van bevrijding (vimutti) onmogelijk is.

De Boeddha is gestorven toen hij 80 jaar was.

De Boeddha stierf op 80 jarige leeftijd. Zijn laatste woorden reflecteren de kern van zijn Leer (appamāda).

Handa dani bhikkhave amantayami vo: vayadhamma saṅkhāra, appamādena sampadetha.

Welnu, monniken, ik spoor jullie aan: alle samengestelde dingen moeten weer vergaan. Bewerkstellig vastbesloten door waakzaamheid jullie eigen bevrijding.

D16 — Mahā Parinibbāna Sutta — Het grote heengaan

Vastgrijpen (upādāya) is gelijk aan afhankelijkheid (nissita) dat ware vrijheid ernstig in de weg staat. Het 'ik' zorgt altijd voor een verstoring (iñjita) in elk opzicht, brengt er altijd de klad in.

Wanneer we ons niet meer vastgrijpen (anupādāya) aan 'de dingen in de geest', er geen brandstof (āhāra) meer aan geven, raken ze uitgedoofd (nirodha) en wordt de geest kalm (samattha) en zo helder als een spiegel. Dan 'verzamelen' (upadhi) we niets meer. Dit is een proces dat uiteraard ontwikkeld (bhāvanā) moet worden. Daarom is het uitgangspunt steeds om vanuit een niet vooropgezette geest (asaṅkhārikacitta) tewerk te gaan. Want het doel — Nibbāna — is niet het geconditioneerde (saṅkhata) maar het ongeconditioneerde (asaṅkhata). Door mentaal nergens aan vast te grijpen voorkom je conditionering en conformisme. Dit is de weg om een vrij mens te zijn, dat begint bij de geest omdat de geest de voorloper is van alle dingen (manopubbaṅgama).

Mediteer daarom zonder verlangens, zonder verwachtingen, zonder getrek en geduw etc. Als je zo mediteert wordt het ongedwongen handelen in heel je leven de 'standaard manier van handelen' waarin je geen kamma meer maakt (vanwege het opgeven van begeerte (taṇhā)). Hierdoor wordt beetje bij beetje het wedergeboorteproces (upapattibhava) doorgekapt. Waarom is dat zo? Omdat je zonder begeerte echt (akuttima) bent, volgroeid (gotrabhū) bent. Dit is de manier om het doel, je ware natuur te bereiken. Dit is wat maar weinig mensen in de wereld echt begrijpen.

Waar de aandacht op is gericht

Indachtigheid wordt gevestigd op de neusvleugels of op de bovenlip, afhankelijk van waar de adem het best wordt gevoeld. De duur van de ademhaling wordt opgemerkt, maar niet bewust onder controle gebracht.

Volg de adem vanaf het punt waar de adem de neus binnenkomt. Volg de adem tot in de onderbuik. Volg de adem vervolgens weer naar de neus waar de adem het lichaam verlaat. Op deze manier is er één object van meditatie, terwijl je tegelijkertijd niet gefixeerd bent op een stilstaand punt. Dat moet je altijd voorkomen omdat fixatie de geest vernauwt.

Concentratie kan leiden tot fixatie

Concentratie (samādhi) kan de geest tot eenheid (ekaggatā) brengen, maar concentratie kan ook leiden tot fixatie. Wanneer je gefixeerd bent op een punt, op een of ander object, sluit dit alles wat daar omheen is uit. Het levert een beperkte visie dat lijkt op het kijken door een sleutelgat. Zintuiglijk verlangen (kāmacchanda) speelt hierin de sleutelrol en staat een harmonieuze, vredige staat van de geest, ernstig in de weg.

De bedoeling is dat je dit hele gebeuren van de in en uitademing gewaar bent (dit heet sabbakāyapaṭisaṁvedī wat vaak verkeerd begrepen wordt). Dan werkt dat ook zo in de praktijk van alle dag, d.w.z. dat je het totale gebeuren, alles wat er gebeurt, gewaar bent. Dan ga je oorzaken en gevolgen zien. Dit is cruciaal.

Door het observeren van de op en neer gaande beweging van de adem, zal je begrip omtrent de ware aard van dingen toenemen. Het opkomen (uppada) en vergaan (vaya) van fenomenen (dingen, verschijnselen) dringt dieper tot je door. Verstandelijk weten we wel dat alles vergankelijk is, maar zonder de juiste training blijft het vaak een zaak van het hoofd zonder dat het hart wordt geraakt. Door het opkomen en vergaan van dingen helder te zien, ontstaat er juist begrip (sammādiṭṭhi) omtrent de ware aard van dingen. Naarmate je begrip hieromtrent toeneemt, zul je die dingen op een ongedwongen en natuurlijke wijze gaan loslaten (anupādāya). Dit loslaten zal steeds meer en dieper als een natuurlijk proces in je leven worden verweven.

Op den duur zie je jezelf niet meer als een apart en op zichzelf bestaand individu (sakkāyapariyāpanna), maar raak je 'geïntegreerd in een dynamisch geheel'. Je ziet jezelf dan meer als een onderdeel van een dynamisch proces waarin jezelf net zo dynamisch bent als al het andere in het leven. Op deze manier zullen conflicten verminderen omdat je mee kan stromen op de stroom van het dynamische leven. Dit betekent dat de flexibiliteit van de geest (cittamudutā), de vaardigheid van de geest (cittapaguññatā) en het aanpassingsvermogen van de geest (cittakammaññatā) beter ontwikkelen waardoor je veel makkelijker en veel stabieler in het leven staat.

Zoals je hebt ontdekt heb ik in dit artikel een aspect van de manier van ademen behandeld. Dit heeft een directe relatie met en positieve invloed op onze intenties oftewel wilshandelingen (kamma). Dit is de manier van handelen waarin er geen persoon is die iets wil hebben, en juist daardoor het hoogste doel bereikt. Het is geen reageren (vanuit iets), maar ageren (vanuit niets). Een handelen zonder begeerte, zonder 'ik'. Ik noem het ook wel 'wijsheid in actie'.

Belangrijk

In M118 is de volledige ontwikkeling van deze meditatiemethode uiteengezet. Begin niet meteen met M118. Het is verstandig de adviezen te volgen die in Waarom de ademhaling als basis meditatie? worden gegeven.

Zie ook Vis.M. 8, 145-244.

Wees altijd als een passieve toeschouwer

Het is een kwestie van slechts aandachtig zijn

In zijn instructies omtrent de ontwikkeling van inzicht, geeft de Boeddha bij de verscheidene onderwerpen steeds heel duidelijk aan, dat je slechts hoort te weten oftewel te begrijpen (sampajañña) wat er is en verder niets. Dit is steeds waar het om draait. Bijvoorbeeld:

"Hierin (idha), monniken, weet een monnik, wanneer hij een aangenaam gevoel ervaart: 'Dit is een aangenaam gevoel'; wanneer hij een onaangenaam gevoel ervaart, weet hij: 'Dit is een onaangenaam gevoel' (…)."

D22 — Mahā Satipaṭṭhāna Sutta — De grote toespraak over de vier fundamenten van indachtigheid

Let op. Bovenstaande betekent niet dat je hetgeen er is moet benoemen! Het gaat erom dat je weet oftewel dat je begrijpt wat er is, wat je doet etc. Als je de woorden van de Boeddha hier niet correct begrijpt, zou je kunnen denken dat je dingen moet benoemen (wat een subjectieve invulling is), wat dan ook vaak zo wordt onderwezen en volstrekt verkeerd is. In de sectie De basis van meditatie is hiervoor nadrukkelijk gewaarschuwd en uitgebreid toegelicht.

De Boeddha zegt hier helemaal niet dat je dingen moet opzeggen, maar dat je dient te weten, te begrijpen wat je doet, wat er is. Dat is alles. Je hoeft niets meer te doen dan louter aandacht schenken (āvajjana) dat vanzelf en op een natuurlijke manier voor het begrijpen zorgt. Laat daarom altijd aandacht het werk doen zonder de bemoeienis van 'ik'. In boeddhistische meditatie gaat het om intuïtief inzicht. Daarom wordt de Boeddha ook wel 'de Leraar van de Leer van geen-zelf' genoemd (satthā anatta vādī).

Intuïtief inzicht

Onder intuïtief inzicht of intuïtieve wijsheid verstaan we het inzicht dat ontstaat zonder de tussenkomst van 'ik'. D.w.z. dat er geen persoonlijke invulling gegeven wordt aan wat is waargenomen. Het wordt dan ook verkregen zonder gekunsteldheid, zonder aannames (sarambhapi), zonder aanzet (asaṅkhārikacitta) of beïnvloeding van wat dan ook.

Gewaarzijn (vijānana) kan gezien worden als de basis voor intuïtief inzicht omdat een object alleen correct kan worden herkend zonder persoonlijke invulling (upādāya). Naarmate bewustzijn (viññāṇa) verder wordt ontwikkeld (zuiverder wordt) gaat dit gewaarzijn (vijānana) geleidelijk over in helder begrip (sampajañña) dat gelijk is aan doordringend inzicht (paṭivedha).

Zie ook Van bewustzijn naar helder begrip.

Als je het gevoel hebt niet succesvol te zijn in je meditatie, dan heeft het 'ik' de neiging daar iets aan te doen, maar als jij hier iets aan probeert te doen gaat het juist mis omdat het 'ik' het 'gekunstelde' (kutta) is. Dat blokkeert het doel. Wat wel tot succes en tot het doel leidt, is het louter schenken van aandacht en niets meer dan dat. Aandacht is de primaire sleutel die naar het ongekunstelde (anatam) leidt.

Verder geeft de Boeddha bij elk fundament van indachtigheid aan hoe de dingen worden gezien zoals ze zijn, namelijk door er niets aan toe te voegen, bij te maken of bij te denken. In De basis van meditatie wordt goed uitgelegd dat alle mentale activiteit tot rust moet komen. Want het creëren van iets leidt tot 'worden', tot het geconditioneerde (saṅkhata). Zo zegt hij bijvoorbeeld dat je gevoelens louter als gevoelens dient te zien. Niet als iets anders. Zowel intern als extern. Dit is wat tot intuïtief inzicht leidt.

"Op deze wijze beschouwt hij intern gevoelens als gevoelens, of hij beschouwt extern gevoelens als gevoelens, of hij beschouwt zowel intern als extern gevoelens als gevoelens. (…)"

D22 — Mahā Satipaṭṭhāna Sutta — De grote toespraak over de vier fundamenten van indachtigheid

En overal waar de Boeddha het beschouwen aanhaalt wijst hij erop dat het steeds gaat om de ontwikkeling van inzicht dat alleen ontwikkeld kan worden wanneer iemand zich nergens in de wereld aan vastgrijpt.

"Op deze wijze beschouwt hij intern het lichaam als een lichaam, of hij beschouwt extern het lichaam als een lichaam, of hij beschouwt zowel intern als extern het lichaam als een lichaam[2]. Hij beschouwt het opkomen van dingen (samudayadhamma) omtrent het lichaam; hij beschouwt het vergaan van dingen (vayadhamma) omtrent het lichaam; of hij beschouwt het opkomen én het vergaan van dingen omtrent het lichaam[3]."

"Of zijn indachtigheid is gegrondvest op de gedachte: 'Er is slechts een lichaam[4]', juist zoveel als nodig is voor de uitbreiding van inzicht en indachtigheid, en hij verblijft (viharati) onafhankelijk (anissito) en grijpt zich nergens in de wereld aan vast. Zo, monniken, beschouwt een monnik het lichaam als een lichaam[5]."

D22 — Mahā Satipaṭṭhāna Sutta — De grote toespraak over de vier fundamenten van indachtigheid

En ook hier geeft de Boeddha een voorbeeld van hoe hijzelf louter aandacht schonk in zijn meditatie. Met 'die dingen die er waren' worden de mentale activiteiten bedoeld oftewel de mentale formaties (saṅkhāra).

12. "Net zoals in de laatste maand van het hete seizoen, wanneer de oogst in de dorpen gebracht is, moet een koeienherder zijn koeien bewaken terwijl hij aan de voet van een boom verblijft of in het open veld. Het enige dat hij hoeft te doen, aangezien de koeien daar zijn, is hen gade te slaan; ook zo, hoefde ik, aangezien die dingen die er waren, hen alleen maar gade te slaan."

13. "Onvermoeibare energie ontstond in mij en onverminderde indachtigheid was gegrondvest, mijn lichaam was kalm en rustig, mijn geest was geconcentreerd (samādhi) en tot eenheid (ekaggatā) gebracht."

M019 — Dvedhāvitakka Sutta — De twee soorten gedachten

Bovenstaande eenvoudige instructies hebben een diepe en veelomvattende betekenis. Die veelomvattendheid zal ik hier in een korte en eenvoudige bewoording uitleggen. Dit maakt het mogelijk om de kern van bovenstaande woorden van de Boeddha diep in je hart en in de meest belangrijke aspecten te begrijpen. Schenk diepe aandacht zodat je het nooit meer zult vergeten.

De passiviteit van de kikker

Wees in mentaal opzicht als de onbeweeglijke kikker.

Wees altijd een passieve toeschouwer zoals deze kikker. Hij is stil, observeert slechts en doet verder niets.

Deze kikker zit onbeweeglijk zodat het wateroppervlak helder weerspiegelt. Bij de minst geringste beweging komt het water in beroering en raakt de weerspiegeling verstoord. De kikker is passief. Hij doet niets, behalve dat hij uiterst waakzaam (appamāda) is.

Misschien is deze kikker op rooftocht uit, naar insecten. Dit zou een reden voor hem kunnen zijn waarom hij zo stil zit. Want als hij zich beweegt, beweegt het water waardoor hij zichzelf verraad en hij zijn doel mist. Nu zijn wij natuurlijk niet op rooftocht uit, maar als we mentaal bewegen, als we onszelf door allerlei dingen laten beïnvloeden (asava), op sleeptouw laten nemen, door wat dan ook laten verstoren (iñjita), zullen we net zoals de kikker (wanneer hij zich beweegt) het doel missen. Zo stil en onbeweeglijk het wateroppervlak voor de kikker moet zijn, zo stil en onbeweeglijk moeten wij mentaal in onze observatie zijn. Alleen zo kan aandacht het werk doen waardoor de geest alles helder kan weerspiegelen en de dingen kan zien zoals ze werkelijk zijn.

Wees in mentaal opzicht daarom altijd zoals de kikker. Zowel in je meditatie als in de sleur van het dagelijks leven. Wees onder alle omstandigheden een passieve toeschouwer: een toeschouwer zonder verwachtingen, zonder verlangens, zonder aannames (sarambhapi), zonder bij-dingen, zonder vooropgezette ideeën (asaṅkhārikacitta), zonder toename (papañca), zonder enige vorm van vastgrijpen (upādāya).

Een passieve toeschouwer zijn, betekent niet dat je 'doods' bent alsof er geen belangrijk werk gedaan wordt. Door passief te zijn, is de geest kalm (passaddhi), zijn er geen mentale activiteiten, dus ook geen verstoringen (iñjita). Tegelijkertijd is er sprake van een echt en zuiver beschouwen oftewel aandacht schenken (āvajjana) waarin je de dingen kunt zien zoals ze zijn. Op die manier kan alles wat er zich voordoet direct gekend (vijānana), erkend (abhiññeyya) en helder begrepen (sampajañña) worden. Deze manier van aandacht schenken dient toegepast te worden op zowel de interne- als de externe wereld. Dit is de weg van het ontwaken (bujjhati) tot de realiteit (sacca) en de taak waar alle mensen voor staan.

De Volledig Verlichte Boeddha (sammāsambuddha).

Wat de Boeddha als enige Leraar onderwezen heeft, is dat er in diepe werkelijkheid (paramatthasacca) nergens een 'ik' te vinden is. Alle ideeën van 'ik' dien je te overwinnen (attanudiṭṭhimuhacca).

Elke perfecte actie van een passieve toeschouwer is een actie waarin geen enkele verbondenheid is met het idee van 'ik' (attanudiṭṭhimuhacca). Zo kan aandacht — zonder de tussenkomst van 'ik' — het echte werk doen dat vereist is. Hier krijgt zelfvertrouwen (saddha) vaste grond onder de voeten. En Māra, de grote misleider, krijgt hier geen enkele ruimte, geen schijn van kans.

De poortwachter

De poortwachter die boven op een stadsmuur staat, heeft de taak om de mensen die onder hem door de poort van de stad in- en uitgaan, te observeren. Dit is zijn taak en verder niets. Om louter zijn taak uit te kunnen voeren, om echt te kunnen zien zonder bij-dingen, moet de poortwachter passief van geest zijn. De passiviteit betekent dat zijn geest kalm is. Die kalmte is alleen mogelijk als zijn geest niet met allerlei dingen bezig is, niet onderhoudend is, niet onrustig is. Zijn geest moet 'alleen kunnen zijn', op zichzelf kunnen staan en zich nergens afhankelijk van maken. Want zonder vooropgezette ideeën, zonder verwachtingen, zonder verlangens, zonder aannames (sarambhapi), zonder een vastgrijpen (anupādāya), is er niets dat hem zal beïnvloeden. Alleen dan kan hij echt zien en ontdekken (passati) wie er door de stadspoort in- en uitgaat.

Op dezelfde manier dienen wij de poorten van onze zintuigen te bewaken (indryaguttadvāra). Door passief te zijn en louter aandachtig te zijn, zullen we een methode cultiveren (bhāvanā) die ons naar het allerhoogste doel zal leiden. Het is een methode waarin geen 'ik', geen 'persoonlijkheid', geen 'persoonlijke inkleuring' in aanwezig of bij betrokken is. Dit is waar attanudiṭṭhimuhacca voor staat hetgeen de voorwaarde is voor de ontwikkeling van helder begrip (sampajañña) en dus bevrijding (vimutti).

Er zijn soorten bewustzijn.

Er zijn soorten bewustzijn (viññāṇa) voor het waarnemen van de corresponderende zintuigobjecten. Waarnemen bouwt een herinnering op dat wordt 'opgeslagen' in het geestesbewustzijn element (manoviññāṇadhātu) oftewel 'de vergaarbak'. Dit beïnvloedt op z'n beurt weer het toekomstige waarnemen (en heel veel andere zaken).

Alle soorten bewustzijn ontstaan afhankelijk (nissita) van een voorwaarde (paccaya) en vormen samen één functionerend (viññāṇakicca) geheel. Zo bouwt bewustzijn sferen (āyatana) oftewel de wereld waarin je leeft.

Leren sterven aan het idee van 'ik'

Als we kunnen 'sterven' aan het idee van 'ik', dan zal er louter aandacht (āvajjana) zijn zonder dat iets anders erbij gemaakt wordt (papañca). Want het 'ik', dit 'persoonlijk bewustzijn', dit vasthouden aan 'het geloof in persoonlijkheid' (sakkāyadiṭṭhi) is wat de wereld maakt, wat lijden (dukkha) creëert. Het omvat allerlei 'factoren van persoonlijkheid' (sakkāyadhamma). Als dit 'sterft', als dit verdwijnt, dan zullen verstoringen (iñjita) en verdraaiingen (vipallāsa) geleidelijk aan afnemen zodat je de dingen kunt zien zoals ze werkelijk zijn (yathābhūta).

Geen activering

Belangrijk is te begrijpen dat wanneer het 'ik' niet tussenbeide komt, nergens bij betrokken is, er geen 'activering' (nisaṅkhiti) van wilshandeling (kammacetanā) is en daarom het wedergeboorte proces (upapattibhava) wordt gestopt.

Dit zijn de meest belangrijke aspecten aan de hand van een enkelvoudige instructie van de Boeddha. Dit is de enige weg (ekāyana) naar het onverstoorbare (aneñja) die in deze wereld zelden gezien en begrepen wordt.

Basistraining, praktijktraining en de Dhamma leren.

Mijn training bestaat uit de zitmeditatie die als een basistraining voor mij is om mijn gewaarzijn aan te scherpen. Deze basistraining is mij behulpzaam tijdens al mijn dagelijkse activiteiten wat de praktijktraining voor mij is. Ook dan train ik zoveel mogelijk indachtigheid.

Om dit alles correct te kunnen doen, om te weten waar ik op moet letten en hoe het allemaal werkt, bestudeer ik natuurlijk ook de Dhamma.

Zie Neerzitten en dagelijkse activiteiten.

Stap 5 — Tijdens alle momenten

In deze stap vind je alle cruciale informatie voor je mentale ontwikkeling om op alle momenten in je leven toe te passen.

De poortwachter

De poortwachter die boven op een stadsmuur staat, heeft de taak om de mensen die onder hem door de poort van de stad in- en uitgaan, te observeren. Dit is zijn taak en verder niets. Om louter zijn taak uit te kunnen voeren, om echt te kunnen zien zonder bij-dingen, moet de poortwachter passief van geest zijn. De passiviteit betekent dat zijn geest kalm is. Die kalmte is alleen mogelijk als zijn geest niet met allerlei dingen bezig is, niet onderhoudend is, niet onrustig is. Zijn geest moet 'alleen kunnen zijn', op zichzelf kunnen staan en zich nergens afhankelijk van maken. Want zonder vooropgezette ideeën, zonder verwachtingen, zonder verlangens, zonder aannames (sarambhapi), zonder een vastgrijpen (anupādāya), is er niets dat hem zal beïnvloeden. Alleen dan kan hij echt zien en ontdekken (passati) wie er door de stadspoort in- en uitgaat.

Op dezelfde manier dienen wij de poorten van onze zintuigen te bewaken (indryaguttadvāra). Door passief te zijn en louter aandachtig te zijn, zullen we een methode cultiveren (bhāvanā) die ons naar het allerhoogste doel zal leiden. Het is een methode waarin geen 'ik', geen 'persoonlijkheid', geen 'persoonlijke inkleuring' in aanwezig of bij betrokken is. Dit is waar attanudiṭṭhimuhacca voor staat hetgeen de voorwaarde is voor de ontwikkeling van helder begrip (sampajañña) en dus bevrijding (vimutti).

Er zijn soorten bewustzijn.

Er zijn soorten bewustzijn (viññāṇa) voor het waarnemen van de corresponderende zintuigobjecten. Waarnemen bouwt een herinnering op dat wordt 'opgeslagen' in het geestesbewustzijn element (manoviññāṇadhātu) oftewel 'de vergaarbak'. Dit beïnvloedt op z'n beurt weer het toekomstige waarnemen (en heel veel andere zaken).

Alle soorten bewustzijn ontstaan afhankelijk (nissita) van een voorwaarde (paccaya) en vormen samen één functionerend (viññāṇakicca) geheel. Zo bouwt bewustzijn sferen (āyatana) oftewel de wereld waarin je leeft.

Toelichting bij de indachtigheid van ademen

ānāpānasati

Vaak wordt de indachtigheid van ademen geoefend door de bewegingen van de buik te volgen omdat men de term sabbakāyapaṭisaṁvedī verkeerd interpreteert. Dit woord betekent 'het hele adem-lichaam ervaren'. Ik (auteur) heb een instructievideo gezien waarin iemand demonstreerde dat het de bedoeling is om met je handen langs heel je lichaam te strelen…

Het woord 'kāya' wordt vaak in relatie gebracht met 'lichaam', maar in dit geval is dat niet juist. Kāya heeft namelijk meerdere betekenissen. De Boeddha bedoelt hier de gehele beweging van de in- en uitademing. Zie sabbakāyapaṭisaṁvedī.

De indachtigheid van ademen oefen je door de in- en uitgaande bewegingen van de ademhaling op te merken. Met je geest kijk je naar het inademen en het uitademen en word je je van tijd tot tijd veranderingen in het ritme van de ademhaling gewaar (vijānana). Ademhalingen kunnen diep of oppervlakkig zijn, langzamer of sneller worden en volgen daarbij natuurlijke neigingen die op geen enkele manier beïnvloed of gemanipuleerd dienen te worden. Het is belangrijk het lichaam recht en de geest waakzaam (appamāda) te houden, terwijl je scherp oplet en je zo min mogelijk beweegt. Je moet gemakkelijk zitten, maar zonder achterover te leunen of te liggen, anders komt de slaap misschien tussenbeide. De handen moeten losjes in de schoot liggen en de ogen moeten gesloten zijn. Het lichaam moet in evenwicht en rechtop zijn, maar niet gespannen of stijf. Uitersten als stijfheid en slapheid moeten vermeden worden; het boeddhisme bewandelt immers de middenweg (majjhimā paṭipadā). Aanwezigheid van geest is nu het thema en de aandacht moet op de in- en uitademing rusten. Telkens wanneer de geest afdwaalt of een willekeurige gedachte volgt, moet je dat onderkennen en terugkeren naar de in- en uitademing.

Om te volharden in het gewaarzijn van deze bewegingen zoals ze zich voordoen, kun je van elk stadium nota nemen door in de geest de in- en uitgaande beweging van de adem steeds opmerkzaam te zijn zonder de gedachten 'in... uit... in... uit…', maar er alleen met niets anders dan met helderheid van geest en louter aandacht ernaar te kijken. Dit is een kwestie van eenvoudig zijn wat voor veel mensen moeilijk is vanwege de tussenkomt van het 'ik' (atta).

Vrij zijn in het zien

De cruciale basis waardoor alles wat er zich voordoet kan worden gekend (vijānana), erkend (abhiññeyya) en helder begrepen (sampajañña), is zonder de tussenkomst van het 'ik'. Want alleen op deze manier kan louter aandacht (āvajjana) het belangrijke werk doen. Zonder de dominantie van het ego is er vrijheid van rechtstreeks zien (passati) waarbinnen intuïtieve wijsheid (vipassanāpaññā) vrijelijk en op een natuurlijke wijze stroomt.

Het is een inzicht dat onafhankelijk (anissita) is van wie of wat dan ook. Dit is de weg die leidt tot het ontwaken (bujjhati). Bij alles, altijd en overal.

Je moet niet denken of in jezelf opzeggen wat je doet, maar er alleen maar passief naar kijken zodat alles wat er op dat moment is en gebeurt je volledig duidelijk wordt. Het opzeggen, het benoemen van wat er is, wordt dikwijls onderwezen, maar hierdoor breng je allerlei gedachtenprocessen en daarom beeldvorming op gang wat juist voorkomen moet worden. De geest is de voorloper (manopubbaṅgama) van alle dingen, vandaar gedachtenprocessen tot rust (samatha) moeten komen zodat we objectiever kunnen kijken. In Waarom het benoemen volstrekt verkeerd is is hieromtrent een belangrijk kernpunt uiteengezet.

Wees in mentaal opzicht als de onbeweeglijke kikker.

Lees straks ook eens Wees altijd als een passieve toeschouwer. Want meditatie is niet louter op een kussentje zitten. Het behelst ook de mentale houding onder diverse toestanden en gebeurtenissen in de sleur van het dagelijks leven.

Indachtigheid komt neer op bij de tijd blijven. Het echte leven speelt zich niet af in het verleden of in de toekomst, maar alleen op dit moment. Bij alles wat je doet moet je leren bij de handeling te blijven, niet bij het idee of in je verbeelding. Tijdens de ānāpānasati oefening dien je te observeren wat langer duurt, de in- of uitademing, of welke van de twee duidelijker is, de in- of uitademing. Als je het niet duidelijk kunt zien, moet je zeer aandachtig blijven voor het bewegende proces van het ademhalen. Verder let je erop dat je lichaam recht blijft. Je blijf met je aandacht uitsluitend bij de ademhaling.

Als je gedachten afdwalen, wat zeker zal gebeuren, is het belangrijk dit te zien. Zodra je het ziet, ga je kort na hoe dat kwam, wat de oorzaak was. Welke gedachte overging in een andere gedachte. Zo leer je de stroom van gedachten zien. Je leert oorzaken en verbanden zien wat ondersteunend werkt in het begrijpen van de wet van het afhankelijk ontstaan (paṭiccasamuppāda). Zodra je ziet dat de aandacht is afgedwaald, stap je eruit, laat je jezelf niet langer meenemen door de stroom van gedachten.

Naarmate je deze oefening onder de knie krijgt, ontspant het lichaam zich en wordt de ademhaling rustig (passambhayaṁ kāyasaṅkhāraṁ). Je zult je heel vredig voelen en niet gestoord worden door gebeurtenissen in de geest (intern) of daarbuiten (extern). Op zo'n moment heeft de geest geen behoefte aan noties van het zelf, ego, of de ziel. Er is geen gevoel van eigen activiteit, slechts een objectief totaal gewaarzijn (sampajañña) van voorbijgaande verschijnselen en de daarmee verband houdende toestanden. Nu kun je begrijpen hoe de gehele beweging van de ademhaling (sabbakāyapaṭisaṁvedī) van moment tot moment plaatsvindt. Als je je dit realiseert, ontstaat er kennis (ñāṇa) en openbaart intuïtief inzicht het licht van waarheid (sacca). Met een dergelijk gewaarzijn kun je gelukkig en onafhankelijk (anissita) leven in een wereld die ingewikkeld en in verwarring is. De tot volmaaktheid gekomen mens is het mooiste wezen van al; maar geïsoleerd in zijn persoonlijkheid (sakkāyapariyāpanna) en ego is hij een van de slechtste. In de gewone menselijke staat is er altijd de mogelijkheid en het vermogen om volmaaktheid (arahatta) te bereiken, maar als de kwaliteiten die daaraan inherent zijn niet beoefend worden, kan de mens gemakkelijk tot slechtere geestelijke en lichamelijke toestanden vervallen en een gevaar (ādīnava) voor zichzelf en voor anderen worden. Je dient te allen tijde alle lichaamsbewegingen en houdingen (kāyānupassanā) met opmerkzaamheid uit te voeren en goed te begrijpen (sampajañña) wat je elk moment doet.

Vipassanā meditatie is veel objectiever dan de toevallige toeschouwer zou denken. Het idee van zelf, ego, of ik neemt geleidelijk aan af (attanudiṭṭhimuhacca) door het groeiende gewaarzijn van het 'hier en nu'. Onrustige bewegingen in lichaam en geest belemmeren je om objectief gewaar te zijn zodra je je van jezelf bewust bent, wanneer het 'ik' een belangrijke plaats inneemt. Zelfbewustzijn oftewel 'bewust van ik', (sakkāyapariyāpanna) is een hinderpaal voor waar inzicht (vipassanā). De functie van inzicht meditatie (vipassanābhāvanā) is om helder en duidelijk te maken dat er nergens een onveranderd zelf of onveranderlijke ziel (atta) gevonden kan worden. Alle gebeurtenissen en dingen beïnvloeden elkaar en hebben een onderling verband. Ontstaat het een, dan ontstaat het andere ook; of, zonder dit kan dat er niet zijn. Of, nog anders: het ene eindigt door het andere en zou anders niet afgelopen zijn. De ware boeddhist (dhammānuvattī) ziet dit als de regels van het bestaan en het niet-bestaan. Het idee van een tijdseenheid is louter een product van de geest, net zoals ideeën over een zelf (atta) of een ziel. Zij bestaan slechts totdat de uiteindelijke waarheid (sacca) gerealiseerd wordt (bujjhati).

Extra aanbevelingen

In M118 — Ānāpānasati Sutta — De indachtigheid van ademen geeft de Boeddha uitleg over hoe de vier fundamenten van indachtigheid tot stand gebracht kunnen worden door de oefening van de in- en uitademing.

Een goede hulp bij het bestuderen van M118 en het beoefenen van de indachtigheid van de ademhaling, zie De ānāpānasati oefening.

Toelichting bij de indachtigheid van gevoelens

vedanā

Gevoelens nemen een erg belangrijke plaats in die de kwaliteit van het mentale gebied sterk beïnvloeden. Ze hebben een functie, maar als de geest niet correct functioneert, functioneren de gevoelens ook niet correct. Maar eigenlijk moet ik zeggen: 'dan missen gevoelens de functie waarvoor ze bedoeld zijn'. Er bestaat dan de kans dat we door gevoelens overweldigd worden en dat ons leven door gevoelens wordt beheerst. Om dit te voorkomen is het belangrijk te begrijpen hoe gevoelens ontstaan.

Eenvoudig gezegd zijn er drie soorten gevoelens: aangename, onaangename en neutrale gevoelens. Wanneer onze zintuigen krijgen wat ze begeren, ontstaat er een aangenaam gevoel; krijgen ze dat niet, dan ontstaat er een onaangenaam gevoel in de vorm van frustratie, teleurstelling, depressie of zelfs woede (paṭigha). Dit staat sterk in relatie met voorkeur en afkeer (anurodhapaṭivirodha) en het is belangrijk te begrijpen hoe dit werkt.

Om controle over gevoelens te krijgen, moet je leren om er met louter aandacht naar te kijken, net zoals een poortwachter die ziet welke mensen naar binnen gaan en welke mensen naar buiten gaan. Zodra er een aangenaam, onaangenaam of neutraal gevoel ontstaat, dien je het als zodanig te herkennen (sampajañña). Hoewel het object van meditatie de gevoelens (vedanā) zijn, is er niet een persoon die op zoek is naar een gevoel. Mediteer altijd zonder verwachtingen en zonder dat je ergens naar op zoek bent. Je moet leren om naar gevoelens te kijken en er verder niets mee te doen (anupādāya). Op den duur zul je met het oog van wijsheid (buddhacakkhu) zien, dat je slechts een stroom van gebeurtenissen gadeslaat, gebeurtenissen die opkomen (uppada) en weer moeten vergaan (vaya). Dat is hun ware aard (saṅkhatalakkhaṇa), net zoals de ademhaling en alle andere dingen die deze aard ook in zich dragen. Alle gevoelens, inclusief alle andere verschijnselen, moeten weer verdwijnen. Je kunt ze niet hebben, je kunt er geen bezitter van zijn. Net zomin als van een streep op het wateroppervlak of van een zeepbel.

Elk soort gevoel dient in de geest onderkend te worden zodra het opkomt (uppajjati). Wanneer er bijvoorbeeld een gevoel van genot in je opkomt, dien je het onmiddellijk te beschouwen als: 'Dit is een gevoel van genot.' Niet benoemen, maar louter het weten, begrijpen wat er is, is essentieel. Op dezelfde manier dien je ook mentaal nota te nemen van onaangename gevoelens of neutrale gevoelens. Je moet proberen naar het gevoel te kijken, min of meer als een poortwachter die louter ziet hoe mensen in- en uitgaan. Verder moet je leren zien en ontdekken (passati) hoe het gevoel ontstond en hoe het voorbijging. Met oefening zul je alle gevoelens beginnen te begrijpen, totdat het gemakkelijk wordt om ze in toom te houden en ze ervan te weerhouden de geest in beroering te brengen. Pas wanneer gevoelens ongemerkt komen aansluipen, lopen we gevaar erdoor overweldigd en misschien eraan onderworpen te worden, maar zodra we ze zien zoals ze zijn (yathābhūtaṁ), heersen ze niet meer over ons (zie kāma mathenti citta). Dit leidt tot inzicht in gevoelens met het oog van wijsheid, waardoor ware kennis (vijjā) ontstaat. Hoewel gevoelens bestaan, gezien het feit dat ze opkomen en verdwijnen, is er in werkelijkheid geen zelf of ego dat voelt. Je zult gaan begrijpen (sampajañña) dat het — net zoals alle andere dingen — opkomende en verdwijnende verschijnselen (dhamma's) zijn.

Gevoelens zijn gebeurtenissen die komen en gaan, ze veranderen voortdurend van toestand (thitassa aññatattam) a.d.h.v. onze voorkeur en afkeer (anurodhapaṭivirodha). Dit is hun ware aard en het kenmerk van alle dingen (saṅkhatalakkhaṇa).

Toelichting bij de indachtigheid van de geest

cittānupassanā

Wanneer de geest in een staat (citta) van begeerte verkeert, moet je je dat gewaar zijn en ook wanneer die begeerte afwezig is. Op dezelfde wijze moet je objectief opmerken wanneer de geest in een toestand (citta) van haat, begoocheling of instabiliteit is, of juist niet en (na voldoende oefening) moet je de staat van vrijheid en onvrijheid van de geest opmerken. Het opkomen en verdwijnen van gedachten, emoties en sentimenten, of enige andere staat die invloed heeft op de geest, moet zorgvuldig opgemerkt, herkend en begrepen worden wanneer hij zich voordoet. Door alle toestanden van de geest te kennen, kom je tot het begrip: 'Er zijn alleen gedachten of denkprocessen, maar er is geen aanwijzing dat er een denker bestaat. Het denken ontstaat vanwege bepaalde voorwaarden (paccaya), bepaalde omstandigheden; wanneer de omstandigheden ophouden te bestaan, gebeurt dat ook met de gedachte en meer is het niet.'

Indien de geest op de juiste manier ontwikkeld wordt, brengt hij zegen en geluk tot stand, maar indien veronachtzaamd, komt hij eindeloos in moeilijkheden, want een wankele geest is zwak en ineffectief. Om deze redenen trainen verstandige mensen hun geest zo grondig als pikeurs hun paarden. De natuurlijke toestand van de geest zou zuiver zijn indien hij niet werd vervuild door zintuiglijke indrukken. Het oefenen van indachtigheid is bedoeld om verder bederf van de geest tegen te gaan en onzuiverheden die er tot dusver ingeslopen zijn te verwijderen. De geest die waarlijk geschoond is van hinderlijke geestestoestanden is als een heldere spiegel.

Stap 6 — Leer ook wat inzicht meditatie niet is

Wat wij meditatie noemen heet bhāvanā en staat voor 'mentale ontwikkeling'. Mensen hebben vaak allerlei verschillende ideeën over meditatie, en vooral van wat het niet is.

Om geen tijd en moeite te verspillen, is het verstandig om misvattingen over meditatie te voorkomen en jezelf correct te laten informeren. Anders zou je weleens kunnen verdwalen in 'het bos van ideeën' dat niets met meditatie van doen heeft.

En mocht het zo zijn dat je straks zelf de Dhamma en inzicht meditatie gaat onderwijzen, dan wordt dit zeer op prijs gesteld. Maar doe het dan wel correct. Want hier speelt een grote verantwoordelijkheid m.b.t. het voortbestaan van de ware Dhamma.

In meditatie niet benoemen

De allerbelangrijkste fout die bij boeddhistische meditatie gemaakt wordt, is het benoemen of innerlijk opzeggen van wat je waarneemt.

De benoeming creëert een 'ding' in de geest oftewel een formatie (saṅkhāra) zoals ideeën, mentale factoren etc. Dit vormt een voedingsbodem (āhāra) voor het ontstaan (uppajjati) van nóg meer saṅkhāra's. Want uit het één ontstaat het ander. Deze mentale dingen associëren met elkaar, voeden elkaar en dijen daardoor uit. Zo wordt de geest niet leger, maar juist voller, hetgeen het tegenovergestelde is van wat we willen bereiken: kalmte. Het benoemen is in diepe essentie gelijk aan het 'oppakken' (upādāya) dat gelijk is aan het persoonlijk identificeren waardoor een persoonlijke wereld wordt gecreëerd (sakkāyapariyāpanna).

De 'dingen' in de geest moeten dus juist tot rust komen (sabbasaṅkhārasamathāya). Die rust kunnen we alleen bereiken door nergens brandstof aan te geven: niet persoonlijk 'oppakken'. Dan komt dit alles tot uitdoving. Dit is in de boeddhistische teksten een vaak voorkomend begrip en het Pāḷi woord voor uitdoving is nirodha. Het is gelijk aan Nibbāna, het doel binnen het boeddhisme.

De weg naar Nibbāna is niet het toenemen (papañca) van dingen, maar het afnemen (nippapañca) van dingen. En omdat de geest de voorloper is van alle dingen (manopubbaṅgama) begint alles in de geest. Iemand kan alleen zelf zijn eigen geest trainen. Een ander kan dit onmogelijk voor je doen.

Saṅkhāra's zijn net zoals alle andere dingen, 'samengestelde dingen'. In het mentale gebied veroorzaken ze allerlei mentale associaties (die zelfs een hele wereld creëren). Het zijn mentale activiteiten die reacties op reacties zijn waardoor ze dus toenemen en de geest belasten (upadhi). Lijden (dukkha). Het toenemen (papañca) van dingen is niet de weg van het ophouden van lijden, oftewel de weg naar innerlijke vrede (vūpasamaya) die de Leraar van de Leer van geen-zelf (satthā anatta vādī) onderwijst, maar het afnemen (nippapañca) van dingen.

Bovenstaande is waar het in de kern van de Dhamma om draait. Het weerspiegelt datgene waarmee de Boeddha op zijn sterfbed met zijn allerlaatste woorden zijn monniken aanspoorde. Neem deze woorden van de Leraar (satthā), de Sammāsambuddha, altijd serieus en beoefen (paṭipatti) de ware Dhamma. Dit is het hoogste respect (abhivādanā) dat je aan de Boeddha kunt betuigen.

De Boeddha is gestorven toen hij 80 jaar was.

De Boeddha stierf op 80 jarige leeftijd. Zijn laatste woorden reflecteren de kern van zijn Leer (appamāda).

Handa dani bhikkhave amantayami vo: vayadhamma saṅkhāra, appamādena sampadetha.

Welnu, monniken, ik spoor jullie aan: alle samengestelde dingen moeten weer vergaan. Bewerkstellig vastbesloten door waakzaamheid jullie eigen bevrijding.

D16 — Mahā Parinibbāna Sutta — Het grote heengaan

Als je dingen benoemt, betekent dit dat je een persoonlijke betekenis geeft aan wat je waarneemt. De realiteit wordt dan persoonlijk ingevuld. Maar om te ontwaken tot de realiteit moet juist die persoonlijkheid er tussenuit gelaten worden. Het is vanwege die persoonlijkheid waardoor iemand dingen 'oppakt' (upādāya). Dit 'oppakken' is een erg belangrijk begrip in de Dhamma, want hierdoor wordt de realiteit verdraaid (vipallāsa). Het is een verstoring (iñjita) in de visie waardoor het doel — Nibbāna — onmogelijk kan worden gerealiseerd.

Voor een uitgebreide uitleg, zie Waarom het benoemen volstrekt verkeerd is.

Waarom het benoemen volstrekt verkeerd is

Extra aanvulling

Heel vaak wordt geleerd dat je tijdens de meditatie de dingen die je ervaart en waarneemt dient te benoemen. Dit artikel verduidelijkt niet alleen heel exact welke nadelen daaraan verbonden zijn, maar ook dat het in strijd is met wat de Boeddha werkelijk heeft onderwezen.

Dit is een extra aanvulling op de pagina Nāmarūpa — Geest en lichaam, wat wordt daarmee bedoeld? Om gerelateerde informatie samen te bundelen is deze uitleg ook op die pagina ingesloten.

Een meditatieve houding (indachtigheid) is niet alleen van toepassing wanneer je in je meditatiekamertje zit, maar dient zich 24/7 uit te breiden naar alle activiteiten in het dagelijks leven.

Uitleg nāmarūpa

Nāma (letterlijk: 'naam' of 'benoeming') is 'ervaring', subjectief gezien als 'het mentale proces van het identificeren van een object' (rūpa kāya adhivacanasamphassa).

Rūpa (verschijning) is ook 'ervaring', objectief (feitelijk) gezien als een 'entiteit' die is waargenomen en ontvangen door het mentale proces van identificatie (nāma kāye paṭighasamphassa).

Emotie is een opgewondenheid van het lichaam dat begint bij gedachten. Een gedachte creëert een mentaal beeld en, als we daaraan vasthouden (upādāya), ontstaat er een overeenkomstige emotie (vedanā). Afhankelijk van wat de zintuigen willen of juist niet willen, kan dit zowel aangenaam als onaangenaam zijn. Pas wanneer dit mentale beeld wordt losgelaten (anupādāya) en er geen aandacht meer aan wordt besteed, verdwijnt de emotie.

Het is van groot belang dat je deze uiteenzetting goed begrijpt. Als de geest niet goed wordt beschouwd krijgt Māra ruimte en ben je onbeschermd (anātha). Dan zullen kwade (pāpaka), onheilzame (akusala) dingen (dhammā) in je toenemen (papañca). Maar door de geest te beschouwen (cittānupassanā) ga je hem begrijpen, weet je wat gedaan moet worden om dit tegen te gaan waardoor je jezelf beschermt (sanātha).

Het begrijpen van voorkeur en afkeer

Het Pāḷi woord voor voorkeur en afkeer is anurodhapaṭivirodha. Waar voorkeur is, daar is ook afkeer. Of: waar een omarmen is, daar is ook een wegduwen. Voorkeur en afkeer lijken op het eerste gezicht twee verschillende aspecten te zijn. In werkelijkheid leiden ze echter naar hetzelfde: ontkenning (moha) van wat er is, weg van de realiteit.

De eerste van de vijf hindernissen (pañcanīvaraṇa) die onze mentale ontwikkeling blokkeren, zijn zintuiglijke verlangens (kāmacchanda) met alle gevolgen van dien. Deze werken voorkeur en omarmen in de hand en wakkeren daarom tegelijkertijd ook afkeer en wegduwen aan. In beide gevallen wordt de realiteit gemist waardoor het allerhoogste doel — Nibbāna — buiten ons bereik komt te liggen. Hoe sterker zintuiglijk verlangen aanwezig is, hoe sterker voorkeur en omarmen, dus ook afkeer en het wegduwen. Dit is het pad van Māra de misleider die je steeds om de waarheid probeert heen te leiden in plaats van er doorheen. Wees altijd indachtig (sati).

Zintuiglijke verlangens wekken een schijnbare bevrediging (assada) op en mensen zien die zogenaamde bevrediging als een ontsnapping (nissaraṇa) aan problemen, aan lijden (dukkha). Het gaat hierbij niet om een persoonlijk probleem, maar een universeel probleem. Kortgezegd: het niet begrijpen wat lijden is. Dan is er ook geen urgentie (samvega) om een einde aan dat lijden te maken. Of die urgentie is er wel, maar je begrijpt niet in welke richting ware vrijheid ligt. Vertrouwen (saddha) in de Boeddha en kennis (ñāṇa) van zijn Dhamma spelen hierin een essentiële rol.

Het onderdrukte of ontkende probleem (dukkha) — wat het ook is — steekt steeds weer de kop op nadat de schijnbare bevredigende gevoelens weggeëbd zijn. En geleidelijk aan zal het steeds intenser worden. Dat is omdat om de realiteit wordt heengegaan en daarom het leerproces wordt gehinderd. Ontkenning leidt nooit tot realiteit (sacca), maar tot begoocheling (moha). De schijnbare zintuiglijke bevrediging (assada) die de meeste mensen uitbundig najagen, waarborgt dus geen ontsnapping (nissaraṇa) maar het tegenovergestelde: gevaar (ādīnava). De angst (bhaya) die dit teweegbrengt zonder dat men het zich realiseert omdat dit proces niet begrepen wordt, genereert een vastklampen (upādāna) en een afhankelijkheid (anissita). Geen zelfvertrouwen (saddha) om de oplossing in jezelf (ajjhatta) te zoeken. Vastklampen aan allerlei dingen en/of bepaalde mensen. Zo functioneert dit zintuiglijk verlangen als een manier om de oplossing van het probleem te ontlopen en de cirkel is rond (samsara). Daarom is de weg er niet omheen, maar er doorheen en 'de dingen zien zoals ze werkelijk zijn' (yathābhūtaṁ), niet zoals je ze wilt zien.

De term paṭigha in 'nāma kāye paṭighasamphassa', betekent dat de identificatie gepaard gaat met een onderliggende haat (dosa) vanwege de tussenkomst van het 'ik' (dat identificeert). Het zijn de 'prikkels' die door zintuiglijke verlangens (kāmacchanda) worden opgewekt. Dan is iemand 'prikkelbaar', vatbaar voor allerlei dingen (dhamma). Dit 'ik' dat de wil van de zintuigen volgt en zich daaraan onderwerpt, heeft een afkeer (paṭigha) van waarheid (sacca), het hekelt waarheid omdat de wil van de zintuigen wordt opgevolgd. Precies zoals Māra de misleider dit wil. Het is zowel afkeer in het algemeen als afkeer van edele mensen die waarheid spreken. Het is daarmee in strijd omdat het een verkeerd beeld vormt en zodoende belasterd (abbhakkhāna).

De 'prikkels' die door zintuiglijke verlangens (kāmacchanda) worden opgewekt, veroorzaken ook onrust. Rusteloosheid is samen met zorgelijkheid (uddhaccakukkucca) één van de overige vijf hindernissen (pañcanīvaraṇa). Alle dingen moeten tot rust gebracht worden (sabbasaṅkhārasamathāya).

Haat (dosa) is één van de drie wortels (mula) en wordt in deze uitdrukking aangeduid met het synoniem paṭigha, wat een factor is die diep in de latente lagen (anusaya) van de geest sluimert. Het kan een gradatie zijn die gaat van lichte boosaardigheid tot zuivere haat. Er is dan ook veel aandacht voor nodig om het te zien, vandaar dat de indachtigheid van de geest (cittānupassanā) cruciaal is. Geduld (khanti), liefdevolle vriendelijkheid (mettā) en mededogen (karuṇā) zijn dan ook essentiële zaken om te cultiveren (bhāvanā).

Nāma en mano

Wat met nāma wordt bedoeld is uitermate belangrijk, want dit wordt over de hele wereld en door veel mensen — ook door monniken — volstrekt verkeerd begrepen. En de reden waarom, is precies vanwege de diepe, werkelijke betekenis hiervan: omdat ze aan de Dhamma zoals die door de Boeddha is onderwezen, een eigen, persoonlijke invulling geven, er een eigen draai aan geven. Het leidt niet tot helder gewaarzijn (vijānana), maar tot subjectiviteit. Waarom dat zo is zal ik in dit artikel uitvoerig uiteenzetten.

Mano verwijst ook naar 'gedachten' oftewel het mentale proces van beeldvorming dat tot een geheel samengevoegd wordt en waarvan de inhoud gehaald wordt uit de verscheidene beelden die door diverse gewaarwordingen zijn aangereikt. Deze betekenisvolle totale 'ervaring' is dhamma, subjectief (persoonlijk) gezien als de 'identificatie van een entiteit' (nāma) en objectief (feitelijk) gezien als de 'geïdentificeerde entiteit' (rūpa). Daarom zeggen we dat we in een ervaringswereld leven (sakkāyapariyāpanna). Dhamma (in de zin van 'dingen'), hetgeen deze 'betekenisvolle totale ervaring' is, wordt normaalgesproken gezien als een aangename of onaangename omstandigheid (lokadhamma).

Persoonlijke benoeming vanwege de tussenkomst van 'ik'

Het is cruciaal te begrijpen dat 'ervaring' hier staat voor de 'persoonlijke ervaring'. En 'naam' of 'benoeming' is de naam oftewel de betekenis die aan die ervaring door de persoon wordt benoemd oftewel ingevuld, en daarom bepaald (votthapana).

Het identificeren is echter wel nodig voor de ontwikkeling van bijvoorbeeld het onderscheidingsvermogen (buddhavisaya). Daarom heeft bewustzijn (viññāṇa) meerdere functies (viññāṇakicca) zoals het bepalen (votthapana) en het registreren (tadarammana) van een object. Maar hoe meer het 'ik' tussenbeide komt (er sprake is van een persoonlijke benoeming/identificering/bepaling), hoe eerder een object verkeerd wordt geïdentificeerd. Daarom kan bewustzijn worden gezien als een 'ego trip' waarin het 'ik' of ego ten onrechte (= onrechtvaardig (adhamma)) bepaald wat de realiteit is. Dit is het verkeerde pad van Māra die het goede Pad van de Boeddha sluit.

Binnen de vijf groepen van hechten (pañcupādānakkhandhā) is het bewustzijn (viññāṇa) dat de overige groepen, dat wil zeggen het gehele bestaan, bij elkaar houdt, gaande houdt. Het is vanwege het niet begrijpen waardoor dit bestaan oftewel de vijf groepen van hechten, continueren te bestaan. Dat is omdat dingen verkeerd worden geïdentificeerd door de aanwezigheid van dat ik-bewustzijn. Wanneer we kunnen 'sterven' ten opzichte van het 'ik' zodat het zich nergens meer inmengt, worden er geen gedachten, geen denkbeelden en geen werelden, geen bestaan meer gecreëerd. Dan houdt het bos van ideeën op. Dan kunnen we zien met het licht van louter aandacht zonder de dominante bemoeienis en identificering van het 'ik'. Dit is de uitdoving (nirodha) van bewustzijn, ook wel 'verwerving van uitdoving' (nirodhasamāpatti) genoemd. Eenvoudig gezegd is het de verdwijning van het ik-bewustzijn dat plaatsgemaakt heeft voor helder gewaarzijn (vijānana). Dit is de functie van bewustzijn. Onthoud dat 'de dingen zien zoals je ze wilt zien' het werk van bewustzijn (viññāṇa) is, en 'de dingen zien zoals ze werkelijk zijn', het werk van gewaarzijn (vijānana) is oftewel van louter aandacht.

"Hier (idha), Bahiya, moet je jezelf aldus trainen: 'In hetgeen men ziet, zal slechts zijn wat gezien is; in hetgeen men hoort, zal slechts zijn wat gehoord is; in hetgeen gevoeld wordt, zal slechts zijn wat gevoeld is; in hetgeen men waarneemt, zal slechts zijn wat waargenomen is.' Op deze manier moet je jezelf trainen, Bahiya[6]."

"Als, Bahiya, in hetgeen je ziet, slechts is wat gezien is; in hetgeen je hoort, slechts is wat gehoord is; in hetgeen je voelt, slechts is wat gevoeld is; in hetgeen je waarneemt, slechts is wat waargenomen is, dan, Bahiya, zul je niet 'daarbij' horen; als, Bahiya, je niet 'daarbij' hoort, dan, Bahiya, zul je niet 'daarin' zijn; als, Bahiya, je niet 'daarin' bent, dan, Bahiya, zul je noch hier, noch aan de andere zijde, noch tussen beide in zijn. Precies dit is het einde van lijden."

Ud1-10 — Bahiya Sutta — Bahiya

Het is de persoon die zelf vastgrijpt (upādāya), die zelf etiketten plakt a.d.h.v. zijn eigen persoonlijke ervaring. De ervaring wordt dus persoonlijk geïdentificeerd, het is een persoonlijke identificatie, verbonden met het persoonlijke. We noemen het ook wel zelfidentificatie, en ja, op dezelfde manier wordt ook een 'zelf' gezien/geïdentificeerd (dat niet bestaat).

Deze benoeming, deze individuele, persoonlijke identificering, levert ideeën en gedachten op die niet 'per definitie' de waarheid zijn maar eerder voor onrust, twijfel en verwardheid zorgen.

Het is vanwege het niet begrijpen waar nāma werkelijk voor staat. Vanwege dit niet begrijpen wordt zelfs ook door veel monniken onderwezen dat het in meditatie de bedoeling is om te 'benoemen' (het zeggen of denken van wat je waarneemt). We hebben gezien dat het benoemen juist leidt tot de verdraaiing (vipallāsa) van de realiteit. Op Wees altijd als een passieve toeschouwer tref je duidelijke voorbeelden aan van wat de Boeddha echt onderwijst.

Het leidt tot verkeerd inzicht

Als we onszelf aanleren te benoemen, wordt het dus een gewoonte, een leefwijze, een 'pathway' waarin persoonlijke opvattingen (sakkāyadiṭṭhi) gevoed (āhāra) worden en daardoor in stand worden gehouden, in plaats van dat ze verdwijnen. Dit is exact het tegenovergestelde van wat de Leraar van de Leer van geen-zelf (satthā anatta vādī) onderwijst. Want het is dat 'ik' dat een tweedeling creëert (paṭivibhatta) en de geest verdeeld waardoor hij juist niet tot eenheid (ekaggatā) komt, niet tot kalmte (samatha) komt, niet tot een vredige (vūpasamaya) staat komt. In plaats daarvan creëert hij een disharmonie (viyatta) tussen ons en al het overige, tussen een persoonlijke 'waarheid' en wat waarheid werkelijk is. Misschien zeg je nu: 'Ik heb een goede ervaring met het benoemen. Iedereen doet dat toch? En die en die bekende monnik (bhikkhu) onderwijst het.' Maar ook dit is een persoonlijke ervaring. Het kan je een goed gevoel geven of het idee dat dit echt de weg is. Wat mensen niet begrijpen, is hoe listig de geest kan zijn, dat dit gevoel, dit idee, allemaal een creatie van de geest is. Het excuus dat iedereen dit doet is niets anders dan conditionering en omdat die en die monnik het onderwijst is niets anders dan een ongegronde aanname (sarambhapi) dat het daarom correct moet zijn. Het zijn allemaal listen van de geest. Die is niet alleen sluw, maar ook zeer snel en knap in het creëren van een wereld. Maar hij is minder knap om zich van dit alles (sakkāyadhamma) te ontdoen.

Een idee is de waarheid niet. En mensen kunnen zelfs heel rare, kromme, gevaarlijke, ziekelijke, kwalijke (pāpaka) ideeën hebben dat allemaal de basis vormt van verkeerde opvattingen (micchādiṭṭhi). Wees niet nalatig (pamāda) en train jezelf in het beschouwen van de geest (cittānupassanā).

Alles brandt

Om de dingen te zien zoals ze werkelijk zijn (yathābhūtaṁ) moeten we niet met ideeën naar iets kijken. Want dat betekent een vooropgezette geest (sasaṅkhārikacitta), een vooringenomenheid, met een aanname (sarambhapi), een persoonlijke visie (sakkāyadiṭṭhi) en een tekort aan zelfvertrouwen (saddha) als basis. Dit is wat voor een verstoring (iñjita) zorgt. Het creëert een kloof tussen jou en wat er werkelijk is. Tussen een illusionair 'ik' en de waarheid.

In S35-028 zegt de Boeddha dan ook dat alles brandt. Wanneer het 'ik' in aanraking komt met een object dat de voorkeur heeft, ontstaat er een aangenaam gevoel. Maar als het een object betreft dat niet de voorkeur heeft ontstaat er een onaangenaam gevoel. Zowel voorkeur als afkeer (anurodhapaṭivirodha) intensiveert begeerte, begeerte intensiveert hechten etc. Het is omdat er onbewust een idee van 'ik' speelt dat nog niet is opgegeven (attanudiṭṭhimuhacca). Dit leidt tot een persoonlijke, ingekapselde wereld (sakkāyapariyāpanna), weg van wat er in werkelijkheid is of speelt.

Als bijvoorbeeld iemand tot je spreekt en je luistert met ideeën, hoor je niet wat er gezegd wordt omdat de ideeën ertussen zitten. Als je iets leest en er komen ideeën in je op, begrijp je niet wat er werkelijk staat geschreven omdat ideeën tussenbeide komen die de realiteit verdraaien. Ideeën kunnen het luisteren en het lezen ook meteen afkappen omdat ideeën en gevoelens toenemen (papañca) en de geest zo niet open kan zijn voor wat er werkelijk is.

Daarom is het benoemen, het persoonlijk invullen van wat er is, een manier waardoor het de verkeerde kant op gaat. De geest benoemd van zichzelf al vanwege het 'ik' dat voortdurend tussenbeide komt. De geest moet juist tot rust (samatha) komen, tot bedaren komen om helder gewaar (sampajañña) te kunnen zijn. Alle mentale activiteiten moeten tot rust worden gebracht (sabbasaṅkhārasamathāya), en daarom juist niet worden aangewakkerd (papañca). Pas wanneer de geest tot rust komt gaat hij echt zien omdat hij dan niet is afgeleid en niet wordt beïnvloed (asava), noch van binnenuit (intern) noch van buitenaf (extern). Dit echte zien is ontwaken (bujjhati) tot de realiteit hetgeen de voorwaarde is voor het realiseren van een diepe innerlijke vrede (vūpasamaya).

Het is dus zeker niet de bedoeling dat je dingen gaat benoemen, identificeren, de werkelijkheid subjectief gaat invullen. Pas als dit invullen tot bedaren komt kan in plaats daarvan louter aandacht het echte werk doen waarin met het licht van de Dhamma de dingen worden gezien zoals ze werkelijk zijn. Waarom is dat zo? Omdat hierin (idha) geen 'ik' is die tussenbeide komt oftewel vastgrijpt (upādāya), zich overal mee identificeert. Dit is wat de Sammāsambuddha onderwijst.

Vanwege het niet begrijpen van de Dhamma

En toch zijn er monniken die de mensen leren om te 'benoemen', alsof de Boeddha dit heeft onderwezen. M022 en M038 zijn sprekende voorbeelden waarin de Boeddha monniken ernstig aansprak. Hij vermaande hen omdat zij vanwege hun eigen vastgrijpen (upādāya) een verkeerd beeld van de Boeddha, de Dhamma en de Saṅgha creëerden. Hij zei erbij dat zij hierdoor veel schade (ahitāya) aanrichtten. Niet alleen voor zichzelf, maar ook voor anderen omdat dit de manier is waardoor de Dhamma verkeerd wordt doorgegeven en dus uit de wereld zal verdwijnen. En ondanks dat, zijn er hele legers mensen die achter zulke mensen aanlopen. Wellicht vanwege hun eigen identificatie (upādāya) waardoor ze aannemen (sarambhapi) dat deze monniken 'wijs' zijn vanwege hun gewaad, titel of gewoon vanwege persoonsverheerlijking. De dingen zien zoals je ze wilt zien (micchādiṭṭhi) is niet gelijk aan de dingen zien zoals ze werkelijk zijn (sammādiṭṭhi).

Wees altijd kritisch en onderzoekend (dhammavicaya) van geest, zoals de Sammāsambuddha, de Prachtige Mens (acchariyamanussa), de Leraar van de Leer van geen-zelf (satthā anatta vādī) ook de twijfelende Kalama's onderwees (A03-065).

Overige manieren van boeddhistische meditatie die niet juist zijn

Op de pagina In meditatie niet benoemen en Waarom het benoemen volstrekt verkeerd is heb ik de meest verkeerde en kwalijkste manieren van boeddhistische meditatie uitgelegd.

Er zijn nóg enkele manieren die ook wel wat aandacht kunnen gebruiken, waarvan we er een paar zullen toelichten. Wat je van deze paar voorbeelden kunt leren, is dat je heel zorgvuldig moet zijn en niet zomaar van alles overnemen wat mensen in hun hoofd hebben gehaald als zijnde authentiek. Wees altijd kritisch en onderzoekend (dhammavicaya) van geest.

Tellen

Als de aandacht niet bij de ademhaling kan worden gehouden, wordt vaak het advies gegeven om dan te tellen. Hierbij wordt de kern van de oefening gemist of beter gezegd: ondermijnd. Hoewel de aandacht bij de ademhaling houden essentieel is, is de kern natuurlijk het verbeteren van de concentratie. Dat is de kern waar het om gaat.

Je kunt een hulpmiddel als tellen inzetten waardoor je het idee krijgt dichter bij het doel te komen, maar dat is een illusie. Het is niet het tellen dat je dichter bij het doel brengt, maar aandacht. Dat vergt training.

De Boeddha heeft nergens in zijn toespraken een techniek geleerd zoals tellen. Wat hij leert is de training in de indachtigheid van het ademen en een heel belangrijke: het bewaken van de zintuigen.

Muziek luisteren

Van een mooi muziekje genieten, daar is niks mis mee. Het zijn niet de dingen die doen lijden, maar het hechten eraan. Het luisteren naar muziek kan ontspannend zijn, en je een fijn gevoel geven. Maar als je denkt dat muziek je daarom dichter bij het doel brengt, dan is dat een vergissing. Muziek is net zoals alle andere dingen (dhamma's): tijdelijk en van voorbijgaande aard. Dat wil zeggen dat dit geen oplossing is die absoluut is.

Het probleem is dat de ongetrainde geest niet alleen kan zijn, hij wil steeds onderhoudend zijn, wil steeds iets hebben. Dit is waarom mensen vaak een muziekje op hebben staan. Mensen willen graag rust, maar tegelijkertijd kunnen ze niet tegen stilte omdat hun geest steeds bezig wil zijn en bezig gehouden wil zijn. Hij is steeds op zoek naar iets, maar dat 'iets' valt altijd binnen het geconditioneerde (saṅkhata). Maar het doel is het ongeconditioneerde (asaṅkhata) — Nibbāna.

Het luisteren naar muziek is zoals bij het tellen: het mist de kern van de oefening.

Een emmer die overloopt

Wanneer een emmer onder een lopende kraan staat, raakt de emmer op een gegeven moment vol en loopt de emmer over. Om dit te voorkomen kun je zo nu en dan wat water uit de emmer halen. Maar dat is een symptoombestrijding die een tijdelijke 'oplossing' biedt. De absolute oplossing is het probleem bij de bron aanpakken. In dit geval is dat de kraan dichtdraaien. Voor de mentale ontwikkeling is het waakzaam zijn dat er niets in de geest opkomt (uppajjati). Want de geest is de voorloper van alle dingen (manopubbaṅgama).

De monnik met zijn drie technieken

Ik (auteur) zag eens een instructievideo van een monnik die er drie ademhalingstechnieken erop nahield. Hij presenteerde een erg onnatuurlijke en dwangmatige manier van ademhalen. Het had helemaal niets weg van wat de Boeddha onderwijst. In tegenstelling zelfs. De boeddhistische meditatie op de ademhaling is juist ondwangmatig en moet zo natuurlijk mogelijk zijn.

Pijn doorstaan?

Er zijn monniken die beweren dat je pijn tijdens een zitsessie moet negeren en gewoon door moet gaan. Maar wat zij hier missen, is het begrip dat de Boeddha de middenweg (majjhimā paṭipadā) onderwijst. Als je even een pijntje voelt en meteen daar aan toegeeft, is dat een extreem. Maar niet naar een pijnlijk gevoel luisteren is een ander extreem. In de ware Leer moeten extremen worden vermeden. In de aanvankelijke instructies heb ik erop gewezen dat je gemakkelijk moet zitten.

Het doel van meditatie is niet het hebben van pijn, maar het cultiveren van inzicht (vipassanābhāvanā). Inzicht ontstaat niet door pijn te lijden. Dwazen die dit onderwijzen kennen zelf niet de weg die de Boeddha heeft moeten ontdekken dat pijn niet de weg niet is. Zij kennen hun eigen Leraar niet eens: de Leraar die de weg heeft gewezen van het vrij zijn van slavernij zodat wij vrij kunnen zijn van alle pijn.

Een Pāḷi woord verkeerd begrepen

Vaak wordt de indachtigheid van ademen geoefend door de bewegingen van de buik te volgen omdat men de term sabbakāyapaṭisaṁvedī verkeerd interpreteert. Dit woord betekent 'het hele adem-lichaam ervaren'. Ik (auteur) heb een instructievideo gezien waarin iemand demonstreerde dat het de bedoeling is om met je handen langs heel je lichaam te strelen…

Het woord 'kāya' wordt vaak in relatie gebracht met 'lichaam', maar in dit geval is dat niet juist. Kāya heeft namelijk meerdere betekenissen. De Boeddha bedoelt hier de gehele beweging van de in- en uitademing. Zie sabbakāyapaṭisaṁvedī.

Ondersteboven in een boom hangen

Zo waren er ten tijde van de Boeddha drie asceten die ondersteboven in een boom hingen. Urenlang staarden ze recht in de brandende zon. Dit is een vorm van zelfkastijding wat door de Boeddha verworpen werd. Ze dachten zo verlichting te bereiken. Dit wordt overigens nog steeds — buiten het oorspronkelijke boeddhistische systeem — beoefend. Maar wie weet zijn er ook boeddhistische monniken die dit doen… Het geeft aan hoe kleurrijk de ideeën over de weg naar verlichting bij mensen zijn.

Toen ze de Boeddha aan zagen komen, konden ze natuurlijk niet helder waarnemen, en zeiden ze tegen elkaar: 'Wie is het die daar loopt?' En de Boeddha antwoorde hen (met ongeveer deze woorden): 'Doordat jullie lang naar de felle zon staren is jullie waarnemen niet helder, en doordat jullie ondersteboven in een boom hangen, zien jullie de dingen niet zoals ze werkelijk zijn, maar op z'n kop (vipallāsa).' Ik weet niet meer waar ik dit gelezen heb, dus weet ik de exacte beschrijving niet meer, maar ik vind 'm wel komisch. Ook had ik er een grappig tekeningetje bij dat die drie gasten daar in die boom hingen, maar dat wil ik ook nog eens opzoeken.

Tot slot

Verspil je tijd niet met ondeskundige adviezen die niet naar het doel leiden. Wil je leren wat de echte boeddhistische meditatie is, ga dan naar De basis van meditatie.

Stap 7 — Eenvoudige oefeningen voor een perfecte basis

Vooraan in dit stappenplan is gewezen op de ademhaling meditatie. Dat is een fundamentele basisoefening en dus belangrijk die oefening te doen. Om meditatie in je leven te integreren kun je daarnaast ook heel eenvoudige oefeningen doen. Want echte meditatie zit het juist in het eenvoudig zijn.

Een glas water drinken

Inleiding

Omdat waakzaamheid zich uiteindelijk dient uit te breiden over de gehele dag, is het goed om voor bepaalde activiteiten een moment te maken waarin je je voorneemt om extra waakzaam (appamāda) te zijn. In dit voorbeeld is meditatie het indachtig zijn tijdens het drinken van een glas water. Zo eenvoudig is ware meditatie, want het zit 'm steeds, de gehele dag door, in de kleine dingen die ertoe doen.

Het is zaak om steeds gewaar (vijānana) te zijn van alles wat je doet. Dit leidt tot weten wat er is oftewel een totaal begrijpen (sampajañña).

Omdat ook gevoelens (vedanā) een belangrijk aspect is binnen de boeddhistische meditatie, zullen we ook gevoel in dit voorbeeld op eenvoudige wijze aanhalen. Zoals je zult zien hebben gevoelens weldegelijk een functie. Vedanā betekent letterlijk: 'waardoor men weet'. Maar omdat er sprake is van vastgrijpen (niet het glas water, maar in de geest (upādāya)) begrijpen mensen gevoelens niet. Het is vanwege de ideeën van 'ik' waardoor er verstoringen (iñjita) ontstaan en de functie van gevoel (waardoor men weet) hierdoor verloren gaat. Daarom is het belangrijk om louter aandacht te schenken aan wat er is en wat je doet, zonder ideeën erbij.

Een eenvoudige oefening

1. Stel dat het water in een kan zit. Wanneer je arm naar de kan gaat, weet je dat. Je ziet de beweging maar je voelt het ook.

2. Wanneer je hand de kan vastpakt, weet je dat. Je voelt de aanraking van de kan. Je voelt ook de temperatuur van de kan.

3. Wanneer je de kan oppakt, weet je dat. Je voelt welke armspieren zich aanspannen en hoeveel kracht je moet gebruiken om de kan op te tillen.

4. Wanneer je de kan naar het glas brengt om in te schenken, weet je dat je arm die beweging maakt.

5. Wanneer je inschenkt zie je de stroom van de vloeistof. En je weet: 'dit stromen van dingen geldt voor alle dingen, voor zowel fysieke als voor mentale dingen'. Dit zeg je niet en denk je niet. Het is een intuïtief inzicht dat zich stapsgewijs ontwikkelt waardoor je alles in één keer alle dingen ziet zoals ze werkelijk zijn. Bij alles, altijd en overal. Dit is het begrijpen (sampajañña) waar we uiteindelijk naar toe moeten.

6. Wanneer je arm naar het glas gaat om het glas op te pakken, weet je dat. Je arm verandert van positie.

7. Wanneer je het glas vastpakt, voel je dat (vanwege het lichaamsbewustzijn). Er is eerst de aanraking met het glas. Je voelt de temperatuur en de vorm van het glas. Vervolgens ga je het glas optillen en pas dan zet je wat meer kracht op het glas. Juist zoveel dat je het kunt optillen en het niet uit je hand valt. Doe dingen met gevoel.

8. Wanneer je het glas naar je mond brengt, weet je dat.

9. Wanneer het glas je lippen raakt, weet je dat. Je lippen raken het glas aan en er ontstaat een gevoel. Je weet dat dit gevoel ontstaat doordat het lichaam in aanraking komt met het glas. En je kent (vijānana) het gevoel in de zin van dat je begrijpt wat gevoelens zijn.

10. Wanneer je het glas iets omhoog beweegt om het water naar binnen te laten lopen, weet je dat. Zoals bij elke beweging of handeling, loop je niet vooruit op het volgende gebeuren. Boeddhistische meditatie is erop gericht om in het heden te leven.

11. Wanneer het water naar binnen loopt, weet je dat. Vanwege de aanraking door je lichaam met het water ontstaat er wellicht een aangenaam gevoel: 'Aaaa, wat lekker!' En je geniet van de vloeistof, maar je kent (vijānana) het. Dit genieten is erg belangrijk, maar tegelijkertijd weet je: 'dit aangename gevoel is niet blijvend, maar vergankelijk'. Als je hecht aan aangename gevoelens, vraag je om problemen omdat ook aangename gevoelens niet blijvend zijn; ze veranderen. Onthoud dat het niet de dingen zijn die lijden veroorzaken, maar het hechten eraan. En dat geldt zeker voor gevoelens omdat ze een grote invloed op ons hebben als we ze niet begrijpen.

Zelf initiatieven nemen

Zo kun je ook zelf momenten bedenken waarin je extra nadruk legt op de aandachtigheid. Wees creatief en neem initiatief. Breid je aandachtig langzaam maar zeker uit over de gehele dag en gebruik hiervoor meerdere objecten, meditatie onderwerpen. Een paar voorbeelden:
  1. Thee of koffie zetten en het nuttigen.
  2. Telkens wanneer je eet (ontbijten, lunchen, dineren).
  3. Stofzuigen, dweilen, je huis poesten.
  4. Je tanden poetsen. Laat je zomaar onnodig de kraan lopen?
  5. Je gezicht wassen en het afdrogen.
  6. Als je op de trap loopt en je voetstappen maken een bonzend geluid, is er een gebrek aan gevoel in die handeling (geen feeling). Dit is een gebrek aan vaardigheid. De ontwikkelde geest beschikt over vaardigheid (cittapaguññatā).
  7. Bij poepen en plassen. En kijk er na afloop eens goed naar en bedenk dan: 'Ook deze viezigheid wordt door mensen als 'het zelf' beschouwd.'

De perfecte wandelmeditatie

Van dit artikel is alleen een pagina gemaakt, dus moet je even een uitstapje maken. Waak ervoor dat je deze sectie (De basis van meditatie) wel verder doorloopt. Zoals in Stap 1 is aangegeven kun je altijd makkelijk terugkeren.

De perfecte wandelmeditatie

Stap 8 — Op naar de vier fundamenten van indachtigheid!

Nu je beschikt over alle belangrijke basiskennis en meditatie een 'way of life' begint te worden, ben je klaar voor het grotere werk. De dingen die je in deze stap leert, zijn de instructies voor de specifieke onderwerpen die door de Boeddha zelf zijn gegeven. Uiteindelijk kom je uit bij de satipaṭṭhāna training waar de vier fundamenten van indachtigheid volledig en tot de kleinste details worden behandeld. Natuurlijk met volledige ondersteuning van de woorden van de Boeddha zelf. Maar ook hier werken we op methodische wijze naar toe.

De Boeddha noemt de satipaṭṭhāna training 'de enige weg' (ekāyana) om het lijden een halt toe te roepen.

Waarom de ademhaling als basis meditatie?

Een stabiele basis leggen

'De dingen zien zoals ze werkelijk zijn' is het doel van inzicht meditatie (vipassanābhāvanā). Het impliceert objectief gewaarzijn (vijānana) en helder begrip (sampajañña) oftewel inzicht (vipassanā).

Inzicht is nodig om bevrijding (vimutti) van alle lijden te realiseren. De gehele ontwikkeling (bhāvanā) om tot helder objectief gewaarzijn te komen, is belangrijk omdat objectief gewaarzijn op alle momenten van de dag en onder alle omstandigheden nodig is. Daarom is het van essentieel belang om een sterke en goede basis te leggen. De meditatie met betrekking tot de ademhaling is hier het meest geschikt voor en volgens de Boeddha zelfs cruciaal.

Nog even niet M118

De Boeddha heeft in M118 — Ānāpānasati Sutta — De indachtigheid van ademen op de grote voordelen van de indachtigheid van ademen gewezen. Maar om meteen met de instructies uit deze toespraak te beginnen, is voor veel beginners vaak te moeilijk. Ten tijde van de Boeddha waren de mensen namelijk veel beter vertrouwd met deze materie dan tegenwoordig. Daarom adviseer ik om de eerste weken of maanden het eerst bij het eenvoudige te houden en de richtlijnen van De basis van meditatie te volgen. Omdat ze eenvoudig zijn leg je hiermee een goede basis die zo belangrijk is voor de onderwerpen die komen gaan.

Ga daarna pas over op M118. Even op verkenning gaan en de toespraak lezen, is natuurlijk niks mis mee.

Tip Pagina De ānāpānasati oefening geeft een goed overzicht van de oefeningen met betrekking tot de ademhaling. Deze pagina is niet echt voor beginners, maar je kunt er gerust alvast een kijkje nemen.

Algemeen

Als basis voor de ademhaling meditatie zullen we, in de overige hoofdstukken in de reeks De basis van meditatie, nadruk leggen op slechts de meest belangrijke aspecten voor de ontwikkeling van inzicht. Zoals gezegd in M118 meer, maar daar begin je pas later mee. In de sectie Inzicht meditatie wordt uitgebreider ingegaan op de ontwikkeling van inzicht, zeker hoe je dat in het dagelijks leven inpast.

In een later stadium zullen we onze meditatie uitbreiden met meer specifieke onderwerpen. Een zeer cruciale factor in boeddhistische meditatie is het beschouwen van de mentale toestand oftewel de staat van de geest (citta) die constant verandert vanwege de vele mentale associaties die elkaar continu beïnvloeden. Soms zijn er zorgen en ben je rusteloos, dan weer ben je gelukkig, dan weer verdrietig. Soms wordt de geest overmand door boosheid of is er juist vriendelijkheid. Dan weer ben je afgeleid en in beslag genomen door iets wat er in het verleden is gebeurd of maak je je zorgen over iets in de toekomst, heden of verleden. De ene keer ben je opgetogen, de andere keer terneergeslagen. Zo verandert de staat van de geest continue. Dat is geen stabiliteit, maar wankelen.

Het uiteindelijk kennen van de staat van de geest op elk moment, is cruciaal, want dit leidt ertoe dat je volledig vrij kunt zijn van die schommelingen, van die instabiliteit. Daarom is gewaarzijn (vijānana) zo belangrijk, want het zien, het kennen van een probleem, lost het probleem op. Dit is zeer betekenisvol voor het ophouden van alle lijden (dukkha). Voor iedereen is het mogelijk om zo stabiel te zijn als een pilaar in een stadsmuur. Het is een 'ongekende' gelukkige staat van de geest. Echter, in de diepe lagen van de geest zijn latente neigingen (anusaya) aanwezig. Deze werken bezoedelend waardoor het moeilijk is de staat van de geest te allen tijde helder te zien en te kennen (te begrijpen). De ongetrainde geest is daarnaast ook erg 'listig'. Voor de ongetrainde geest is het makkelijk om problemen te scheppen, maar moeilijk om zich ervan te ontdoen. Daarom is een goede basis voor de ontwikkeling van gewaarzijn zo belangrijk.

De indachtigheid met betrekking tot de ademhaling is essentieel. Je ontwikkelt een kalmere geestestoestand (citta) waardoor je 'beter kunt zien en begrijpen'. Ook ontwikkel je een betere vaardigheid in je algemene methode van handelen (ongedwongen en zonder het idee van 'ik' (attanudiṭṭhimuhacca)). Kortom: de indachtigheid met betrekking tot de ademhaling is een belangrijke basis om tot helder objectief gewaarzijn (sampajañña) te komen.

Waarom de Boeddha de ademhaling meditatie prijst

Waarom de Boeddha de indachtigheid van ademen zo prijst en benadrukt, is samengevat in het volgende citaat uit M118. De essentiële onderwerpen die hij noemt zijn cruciaal. Daarbij neemt gewaarzijn de belangrijkste plaats in en daarom leggen we de nadruk op de ademhaling meditatie als onze belangrijkste basis.

15. "Monniken, wanneer de indachtigheid van ademen ontwikkeld en gecultiveerd is, is het van grote vrucht en van groot voordeel. Wanneer de indachtigheid van ademen ontwikkeld en gecultiveerd is, vervult het de vier fundamenten van indachtigheid (satipaṭṭhāna). Wanneer de vier fundamenten van indachtigheid ontwikkeld en gecultiveerd zijn, vervullen zij de zeven factoren van verlichting (sattasambojjhaṅgā). Wanneer de zeven factoren van verlichting ontwikkeld en gecultiveerd zijn, vervullen zij perfecte wijsheid (paññā) en bevrijding (vimutti)."

M118 — Ānāpānasati Sutta — De indachtigheid van ademen

De ānāpānasati oefening

Ānāpānasati (de indachtigheid van in- en uitademen) is een belangrijke basis voor de satipaṭṭhāna training (de vier fundamenten van indachtigheid). Vaak wordt dan ook aangeraden om eerst met de ānāpānasati training te beginnen zoals in M118 getoond. Echter, die oefening (M118) kan voor beginners nog te moeilijk zijn. Ben je beginner, dan is het goed om eerst de beginselen van de sectie De basis van meditatie te raadplegen.

De 16 ānāpānasati oefenmethoden

In D22 — Mahā Satipaṭṭhāna Sutta — De grote toespraak over de vier fundamenten van indachtigheid en elders worden 4 oefenmethoden gegeven, die ook als basis kunnen dienen voor inzicht meditatie. M118 — Ānāpānasati Sutta — De indachtigheid van ademen en andere teksten hebben 16 oefenmethoden, die zich in 4 groepen van vier verdelen. De eerste drie groepen zijn van toepassing op zowel kalmte (samatha) als inzicht (vipassanā), terwijl de vierde groep alleen verwijst naar de beoefening van inzicht. De tweede en de derde groep vereisen het bereiken van de meditatieve verdiepingen (jhāna). Let op. Dit betekent niet dat je deze jhāna's eerst moet bereiken! Fixeer je hier nooit op. Oefen gewoon en je zult vanzelf op natuurlijke wijze vorderen.

In M118 vertelt de Boeddha hoe deze 16 oefeningen de 4 fundamenten van indachtigheid (satipaṭṭhāna) tot stand brengen en hoe deze 4 fundamenten van indachtigheid de 7 factoren van verlichting (sattasambojjhaṅgā) tot stand brengen en deze vervolgens weer de bevrijding van de geest (cetovimutti) en de bevrijding door wijsheid (paññāvimutti).

De 16 oefeningen zijn in onderstaande groepen met een korte tekst weergegeven. Hierdoor zijn ze middels de link makkelijk in M118 terug te vinden. In M118 bevat elk van de paragrafen 18-21, 4 oefeningen.

Groep 1 — Indachtigheid van ademen omtrent het lichaam

  1. Wanneer hij lang inademt.
  2. Wanneer hij kort uitademt.
  3. Het hele (adem)lichaam ervaren.
  4. Het (adem)lichaam kalmeren.

Deze oefeningen inclusief belangrijke eindnoten kun je terugvinden in M118.18.

Groep 2 — Indachtigheid van ademen omtrent gevoelens

  1. Vreugde ervaren.
  2. Geluk ervaren.
  3. De mentale formatie ervaren.
  4. De mentale formatie kalmeren.

Deze oefeningen inclusief belangrijke eindnoten kun je terugvinden in M118.19.

Groep 3 — Indachtigheid van ademen omtrent de geest

  1. De geest ervaren.
  2. De geest verblijden.
  3. De geest concentreren.
  4. De geest bevrijden.

Deze oefeningen inclusief belangrijke eindnoten kun je terugvinden in M118.20.

Groep 4 — Indachtigheid van ademen omtrent mentale objecten

  1. Vergankelijkheid beschouwen.
  2. Onthechting beschouwen.
  3. Uitblussing beschouwen.
  4. Opgeven beschouwen.

Deze oefeningen inclusief belangrijke eindnoten kun je terugvinden in M118.21.

Hoofdpagina Satipaṭṭhāna

Op STI beschik je over een pagina die specifiek de satipaṭṭhāna training belicht. Hier worden alle onderwerpen van deze training behandeld en uitgelegd a.d.h.v. de beroemde Mahā Satipaṭṭhāna Sutta. De hoofdpagina hiervoor is Satipaṭṭhāna — De meditatie van indachtigheid.

Verstandig is om eerst naar De basis van meditatie te gaan om een goede basis te leggen.

Verder is er ook een groep pagina Satipatthana training.

Extra aanbevelingen

Zie ook de groep pagina Satipaṭṭhāna training.

Op groep pagina's zijn pagina's gebundeld omtrent een cruciaal onderwerp. Deze gebundelde pagina's noemen we sub pagina's. Ze werken gezamenlijk naar de betekenis en het doel van de groep pagina. In opbouwende en eenvoudige bewoording geven ze exact weer wat de Boeddha werkelijk heeft onderwezen.

Eindnoten

[1] Voor een belangrijke uitleg wat de Boeddha hier bedoelt, zie saññāvedayitanirodha.

[2] MA: 'Intern': het beschouwen van de ademhaling in zijn eigen lichaam. 'Extern': het beschouwen van de ademhaling van een ander. 'Intern en extern': het beschouwen van de ademhaling in zijn eigen lichaam en het beschouwen van de ademhaling van een ander, zonder onderbroken aandacht.

Een gelijke verklaring is ook van toepassing op de passage die volgt in elk van de andere secties, behalve dat voor de externe beschouwing van gevoelens, de geest, en mentale objecten, (los van hen met telepathische vermogens) deze van de eerste passage afgeleid moet worden.

[3] MA: De 'opkomende dingen' (samudayadhamma) voor het lichaam zijn de voorwaarden (paccaya) voor het ontstaan van het lichaam, namelijk: onwetendheid, begeerte, wilshandelingen en voedsel, samen met het van moment tot moment ontstaan van de fysieke verschijnselen in het lichaam. In het geval van de indachtigheid van ademen, vormen de fysieke organen voor de ademhaling die in de commentaren worden genoemd, een aanvullende opkomende factor. Dit betekent dat bijvoorbeeld de longen van een betere kwaliteit zullen worden. Voor carapatiënten zal de beoefening van de indachtigheid van ademen dan ook duidelijk merkbaar zijn. De 'verdwijnende factoren' (vayadhamma) voor het lichaam is de opheffing van de voorwaardelijke condities en de kortstondige ontbinding van fysieke verschijnselen in het lichaam.

[4] MA: Er is slechts een lichaam, maar er is geen levend wezen, geen individu, geen vrouw, geen man, geen zelf, niets dat behoort tot een zelf; noch een persoon, noch iets dat tot een persoon behoort.

[5] 'Beschouwt een monnik het lichaam als een lichaam' houdt in dat een lichaam slechts als een lichaam gezien wordt, en meer niet.

[6] Voor een belangrijke uitleg wat de Boeddha hier bedoelt, zie saññāvedayitanirodha.