Geest en lichaam, wat wordt daarmee bedoeld?

Nāmarūpa

Nāma en rūpa duidt op de mentale en fysieke fenomenen die een wezen uitmaken.

Inhoudsopgave

Inleiding

Waarom het benoemen volstrekt verkeerd is

Extra aanbevelingen

nāmarūpa

Letterlijk: 'naam en vorm' oftewel 'geest en lichaam'.

Inleiding

De termen 'nāma' en 'rūpa', die gewoonlijk als 'geest en lichaam' worden vertaald, zijn niet twee 'entiteiten' die samengaan in relatie tot elkaar. Het zijn slechts twee manieren om te kijken naar de enkelvoudige 'activiteit', die 'ervaring' wordt genoemd.

Het duidt op de mentale en fysieke fenomenen die een wezen uitmaken. Het is de 4e link binnen de formule van het afhankelijk ontstaan (paṭiccasamuppāda) waar het wordt geconditioneerd door bewustzijn en het op zijn beurt de voorwaarde vormt voor de zesvoudige zintuigbasis.

In twee teksten (D14 en D15), die variaties omvatten van het afhankelijke ontstaan, is de onderlinge toestand van bewustzijn en geest en lichaam beschreven (zie ook S12-067). Geest en lichaam is de voorwaarde voor zintuiglijke (mentale) indruk (phassa).

In deze verhandeling wordt nader ingegaan op een bredere betekenis van nāmarūpa, in het bijzonder voor wat betreft de mentale kant. Hiervoor zullen we de eerste twee verzen van de Dhammapada in betrekken.

Uit de Dhammapada:

001. De geest is de voorloper van alle dingen, de geest is hun leider, ze zijn door de geest geschapen. Als iemand spreekt of handelt met onzuivere gedachten, volgt lijden dat daardoor is veroorzaakt die persoon, zoals het wiel de hoef van een trekdier.

manopubbaṅgama dhamma manosettha manomaya manasā ce padutthena bhasati va karoti va tato nam dukkhamanveti cakkam'va vahato padam

Lijden achtervolgt hem die kwaad doet, net zoals het wiel van de kar het trekkende dier volgt.

002. De geest is de voorloper van alle dingen, de geest is hun leider, ze zijn door de geest geschapen. Als iemand spreekt of handelt met zuivere gedachten, volgt geluk dat daardoor is veroorzaakt die persoon, zoals zijn schaduw die hem nooit verlaat.

manopubbaṅgama dhamma manosettha manomaya manasā ce pasannena bhasati va karoti va tato nam sukhamanveti chaya'va anapayini

Geluk volgt hem die goed doet, net zoals een schaduw iemand nooit verlaat.

De eerste twee verzen van de Dhammapada openbaren een belangrijk concept binnen het boeddhisme. Hoewel de meeste religies het als een belangrijk deel van hun dogma beschouwen dat de wereld is gecreëerd door een bovennatuurlijk wezen dat zij 'God' noemen, onderwijst het boeddhisme dat alles wat wij ervaren (zowel de wereld als wijzelf) gecreëerd is door gedachten, oftewel door het cognitieve proces van zintuiglijke waarneming en denkbeelden. Dit bewijst tevens dat schrijvers over boeddhisme het mis hebben wanneer zij stellen dat de Boeddha zwijgt wanneer het gaat over het begin van de wereld alsof hij daar geen antwoord op zou hebben (zie pañhabyākaraṇa). Maar als mensen naar de Boeddha kwamen die een bepaalde mening aanhingen zoals dat alles blijft bestaan (sassatadiṭṭhi) of dat alles eindigt (ucchedadiṭṭhi), zweeg hij. Het heeft geen enkele zin iemand iets te onderwijzen die erg aan zijn mening hecht. De Boeddha deed niet aan redetwisten (bhaṅḍituṁ). In de Rohitassa Sutta (A04-045) van de Aṅguttara Nikāya, geeft de Boeddha duidelijk aan dat de wereld, het begin van de wereld, het einde van de wereld, en de weg die leidt naar het einde van de wereld, allemaal in dit lichaam zijn dat slechts een vadem groot is, met haar waarnemingen en denkbeelden.

Het woord 'mano' wordt gewoonlijk vertaald als 'geest'. Maar de Boeddha neemt een fenomenologisch standpunt aan in de geest-lichaam controverse die filosofen door de geschiedenis heen heeft getart. De dualiteit 'geest' en 'lichaam' is door de Boeddha verworpen. De Boeddha legt in de Sabba Sutta (S35-023) van de Saṁyutta Nikāya uit, dat alles waarover wij kunnen praten, zintuiglijke ervaring is, inclusief gedachten of denkbeelden als het zesde zintuig. De termen nāma en rūpa, die gewoonlijk als 'geest en lichaam' worden vertaald, zijn niet twee 'entiteiten' die samengaan in relatie tot elkaar. Het zijn slechts twee manieren om te kijken naar de enkelvoudige 'activiteit', die 'ervaring' wordt genoemd.

Waarom het benoemen volstrekt verkeerd is

Waarom het benoemen volstrekt verkeerd is

Extra aanvulling

Heel vaak wordt geleerd dat je tijdens de meditatie de dingen die je ervaart en waarneemt dient te benoemen. Dit artikel verduidelijkt niet alleen heel exact welke nadelen daaraan verbonden zijn, maar ook dat het in strijd is met wat de Boeddha werkelijk heeft onderwezen.

Dit is een extra aanvulling op de pagina Nāmarūpa — Geest en lichaam, wat wordt daarmee bedoeld? Om gerelateerde informatie samen te bundelen is deze uitleg ook op die pagina ingesloten.

Een meditatieve houding (indachtigheid) is niet alleen van toepassing wanneer je in je meditatiekamertje zit, maar dient zich 24/7 uit te breiden naar alle activiteiten in het dagelijks leven.

Uitleg nāmarūpa

Nāma (letterlijk: 'naam' of 'benoeming') is 'ervaring', subjectief gezien als 'het mentale proces van het identificeren van een object' (rūpa kāya adhivacanasamphassa).

Rūpa (verschijning) is ook 'ervaring', objectief (feitelijk) gezien als een 'entiteit' die is waargenomen en ontvangen door het mentale proces van identificatie (nāma kāye paṭighasamphassa).

Emotie is een opgewondenheid van het lichaam dat begint bij gedachten. Een gedachte creëert een mentaal beeld en, als we daaraan vasthouden (upādāya), ontstaat er een overeenkomstige emotie (vedanā). Afhankelijk van wat de zintuigen willen of juist niet willen, kan dit zowel aangenaam als onaangenaam zijn. Pas wanneer dit mentale beeld wordt losgelaten (anupādāya) en er geen aandacht meer aan wordt besteed, verdwijnt de emotie.

Het is van groot belang dat je deze uiteenzetting goed begrijpt. Als de geest niet goed wordt beschouwd krijgt Māra ruimte en ben je onbeschermd (anātha). Dan zullen kwade (pāpaka), onheilzame (akusala) dingen (dhammā) in je toenemen (papañca). Maar door de geest te beschouwen (cittānupassanā) ga je hem begrijpen, weet je wat gedaan moet worden om dit tegen te gaan waardoor je jezelf beschermt (sanātha).

Het begrijpen van voorkeur en afkeer

Het Pali woord voor voorkeur en afkeer is anurodhapaṭivirodha. Waar voorkeur is, daar is ook afkeer. Of: waar een omarmen is, daar is ook een wegduwen. Voorkeur en afkeer lijken op het eerste gezicht twee verschillende aspecten te zijn. In werkelijkheid leiden ze echter naar hetzelfde: ontkenning (moha) van wat er is, weg van de realiteit.

De eerste van de vijf hindernissen (pañcanīvaraṇa) die onze mentale ontwikkeling blokkeren, zijn zintuiglijke verlangens (kāmacchanda) met alle gevolgen van dien. Deze werken voorkeur en omarmen in de hand en wakkeren daarom tegelijkertijd ook afkeer en wegduwen aan. In beide gevallen wordt de realiteit gemist waardoor het allerhoogste doel — Nibbāna — buiten ons bereik komt te liggen. Hoe sterker zintuiglijk verlangen aanwezig is, hoe sterker voorkeur en omarmen, dus ook afkeer en het wegduwen. Dit is het pad van Māra de misleider die je steeds om de waarheid probeert heen te leiden in plaats van er doorheen. Wees altijd indachtig (sati).

Zintuiglijke verlangens wekken een schijnbare bevrediging (assada) op en mensen zien die zogenaamde bevrediging als een ontsnapping (nissaraṇa) aan problemen, aan lijden (dukkha). Het gaat hierbij niet om een persoonlijk probleem, maar een universeel probleem. Kortgezegd: het niet begrijpen wat lijden is. Dan is er ook geen urgentie (samvega) om een einde aan dat lijden te maken. Of die urgentie is er wel, maar je begrijpt niet in welke richting ware vrijheid ligt. Vertrouwen (saddha) in de Boeddha en kennis (ñana) van zijn Dhamma spelen hierin een essentiële rol.

Het onderdrukte of ontkende probleem (dukkha) — wat het ook is — steekt steeds weer de kop op nadat de schijnbare bevredigende gevoelens weggeëbd zijn. En geleidelijk aan zal het steeds intenser worden. Dat is omdat om de realiteit wordt heengegaan en daarom het leerproces wordt gehinderd. Ontkenning leidt nooit tot realiteit (sacca), maar tot begoocheling (moha). De schijnbare zintuiglijke bevrediging (assada) die de meeste mensen uitbundig najagen, waarborgt dus geen ontsnapping (nissaraṇa) maar het tegenovergestelde: gevaar (adinava). De angst (bhaya) die dit teweegbrengt zonder dat men het zich realiseert omdat dit proces niet begrepen wordt, genereert een vastklampen (upādāna) en een afhankelijkheid (anissita). Geen zelfvertrouwen (saddha) om de oplossing in jezelf (ajjhatta) te zoeken. Vastklampen aan allerlei dingen en/of bepaalde mensen. Zo functioneert dit zintuiglijk verlangen als een manier om de oplossing van het probleem te ontlopen en de cirkel is rond (samsara). Daarom is de weg er niet omheen, maar er doorheen en 'de dingen zien zoals ze werkelijk zijn' (yathābhūtaṁ), niet zoals je ze wilt zien.

De term patigha in 'nāma kāye paṭighasamphassa', betekent dat de identificatie gepaard gaat met een onderliggende haat (dosa) vanwege de tussenkomst van het 'ik' (dat identificeert). Het zijn de 'prikkels' die door zintuiglijke verlangens (kāmacchanda) worden opgewekt. Dan is iemand 'prikkelbaar', vatbaar voor allerlei dingen (dhamma). Dit 'ik' dat de wil van de zintuigen volgt en zich daaraan onderwerpt, heeft een afkeer (patigha) van waarheid (sacca), het hekelt waarheid omdat de wil van de zintuigen wordt opgevolgd. Precies zoals Māra de misleider dit wil. Het is zowel afkeer in het algemeen als afkeer van edele mensen die waarheid spreken. Het is daarmee in strijd omdat het een verkeerd beeld vormt en zodoende belasterd (abbhakkhāna).

De 'prikkels' die door zintuiglijke verlangens (kāmacchanda) worden opgewekt, veroorzaken ook onrust. Rusteloosheid is samen met zorgelijkheid (uddhaccakukkucca) één van de overige vijf hindernissen (pañcanīvaraṇa). Alle dingen moeten tot rust gebracht worden (sabbasaṅkhārasamathāya).

Haat (dosa) is één van de drie wortels (mula) en wordt in deze uitdrukking aangeduid met het synoniem patigha, wat een factor is die diep in de latente lagen (anusaya) van de geest sluimert. Het kan een gradatie zijn die gaat van lichte boosaardigheid tot zuivere haat. Er is dan ook veel aandacht voor nodig om het te zien, vandaar dat de indachtigheid van de geest (cittānupassanā) cruciaal is. Geduld (khanti), liefdevolle vriendelijkheid (metta) en mededogen (karuna) zijn dan ook essentiële zaken om te cultiveren (bhāvanā).

Nāma en mano

Wat met nāma wordt bedoeld is uitermate belangrijk, want dit wordt over de hele wereld en door veel mensen — ook door monniken — volstrekt verkeerd begrepen. En de reden waarom, is precies vanwege de diepe, werkelijke betekenis hiervan: omdat ze aan de Dhamma zoals die door de Boeddha is onderwezen, een eigen, persoonlijke invulling geven, er een eigen draai aan geven. Het leidt niet tot helder gewaarzijn (vijañana), maar tot subjectiviteit. Waarom dat zo is zal ik in dit artikel uitvoerig uiteenzetten.

Mano verwijst ook naar 'gedachten' oftewel het mentale proces van beeldvorming dat tot een geheel samengevoegd wordt en waarvan de inhoud gehaald wordt uit de verscheidene beelden die door diverse gewaarwordingen zijn aangereikt. Deze betekenisvolle totale 'ervaring' is dhamma, subjectief (persoonlijk) gezien als de 'identificatie van een entiteit' (nāma) en objectief (feitelijk) gezien als de 'geïdentificeerde entiteit' (rūpa). Daarom zeggen we dat we in een ervaringswereld leven (sakkāyapariyāpanna). Dhamma (in de zin van 'dingen'), hetgeen deze 'betekenisvolle totale ervaring' is, wordt normaalgesproken gezien als een aangename of onaangename omstandigheid (lokadhamma).

Persoonlijke benoeming vanwege de tussenkomst van 'ik'

Het is cruciaal te begrijpen dat 'ervaring' hier staat voor de 'persoonlijke ervaring'. En 'naam' of 'benoeming' is de naam oftewel de betekenis die aan die ervaring door de persoon wordt benoemd oftewel ingevuld, en daarom bepaald (votthapana).

Het identificeren is echter wel nodig voor de ontwikkeling van bijvoorbeeld het onderscheidingsvermogen (buddhavisaya). Daarom heeft bewustzijn (viññāṇa) meerdere functies (viññāṇakicca) zoals het bepalen (votthapana) en het registreren (tadarammana) van een object. Maar hoe meer het 'ik' tussenbeide komt (er sprake is van een persoonlijke benoeming/identificering/bepaling), hoe eerder een object verkeerd wordt geïdentificeerd. Daarom kan bewustzijn worden gezien als een 'ego trip' waarin het 'ik' of ego ten onrechte (= onrechtvaardig (adhamma)) bepaald wat de realiteit is. Dit is het verkeerde pad van Māra die het goede Pad van de Boeddha sluit.

Binnen de vijf groepen van hechten (pañcupādānakkhandhā) is het bewustzijn (viññāṇa) dat de overige groepen, dat wil zeggen het gehele bestaan, bij elkaar houdt, gaande houdt. Het is vanwege het niet begrijpen waardoor dit bestaan oftewel de vijf groepen van hechten, continueren te bestaan. Dat is omdat dingen verkeerd worden geïdentificeerd door de aanwezigheid van dat ik-bewustzijn. Wanneer we kunnen 'sterven' ten opzichte van het 'ik' zodat het zich nergens meer inmengt, worden er geen gedachten, geen denkbeelden en geen werelden, geen bestaan meer gecreëerd. Dan houdt het bos van ideeën op. Dan kunnen we zien met het licht van louter aandacht zonder de dominante bemoeienis en identificering van het 'ik'. Dit is de uitdoving (nirodha) van bewustzijn, ook wel 'verwerving van uitdoving' (nirodhasamāpatti) genoemd. Eenvoudig gezegd is het de verdwijning van het ik-bewustzijn dat plaatsgemaakt heeft voor helder gewaarzijn (vijañana). Dit is de functie van bewustzijn. Onthoud dat 'de dingen zien zoals je ze wilt zien' het werk van bewustzijn (viññāṇa) is, en 'de dingen zien zoals ze werkelijk zijn', het werk van gewaarzijn (vijañana) is oftewel van louter aandacht.

"Hier (idha), Bahiya, moet je jezelf aldus trainen: 'In hetgeen men ziet, zal slechts zijn wat gezien is; in hetgeen men hoort, zal slechts zijn wat gehoord is; in hetgeen gevoeld wordt, zal slechts zijn wat gevoeld is; in hetgeen men waarneemt, zal slechts zijn wat waargenomen is.' Op deze manier moet je jezelf trainen, Bahiya[1]."

"Als, Bahiya, in hetgeen je ziet, slechts is wat gezien is; in hetgeen je hoort, slechts is wat gehoord is; in hetgeen je voelt, slechts is wat gevoeld is; in hetgeen je waarneemt, slechts is wat waargenomen is, dan, Bahiya, zul je niet 'daarbij' horen; als, Bahiya, je niet 'daarbij' hoort, dan, Bahiya, zul je niet 'daarin' zijn; als, Bahiya, je niet 'daarin' bent, dan, Bahiya, zul je noch hier, noch aan de andere zijde, noch tussen beide in zijn. Precies dit is het einde van lijden."

Ud1-10 — Bahiya Sutta — Bahiya

Het is de persoon die zelf vastgrijpt (upādāya), die zelf etiketten plakt a.d.h.v. zijn eigen persoonlijke ervaring. De ervaring wordt dus persoonlijk geïdentificeerd, het is een persoonlijke identificatie, verbonden met het persoonlijke. We noemen het ook wel zelfidentificatie, en ja, op dezelfde manier wordt ook een 'zelf' gezien/geïdentificeerd (dat niet bestaat).

Deze benoeming, deze individuele, persoonlijke identificering, levert ideeën en gedachten op die niet 'per definitie' de waarheid zijn maar eerder voor onrust, twijfel en verwardheid zorgen.

Het is vanwege het niet begrijpen waar nāma werkelijk voor staat. Vanwege dit niet begrijpen wordt zelfs ook door veel monniken onderwezen dat het in meditatie de bedoeling is om te 'benoemen' (het zeggen of denken van wat je waarneemt). We hebben gezien dat het benoemen juist leidt tot de verdraaiing (vipallāsa) van de realiteit. Op Wees altijd als een passieve toeschouwer tref je duidelijke voorbeelden aan van wat de Boeddha echt onderwijst.

Het leidt tot verkeerd inzicht

Als we onszelf aanleren te benoemen, wordt het dus een gewoonte, een leefwijze, een 'pathway' waarin persoonlijke opvattingen (sakkāyadiṭṭhi) gevoed (ahara) worden en daardoor in stand worden gehouden, in plaats van dat ze verdwijnen. Dit is exact het tegenovergestelde van wat de Leraar van de Leer van geen-zelf (satthā anatta vādī) onderwijst. Want het is dat 'ik' dat een tweedeling creëert (paṭivibhatta) en de geest verdeeld waardoor hij juist niet tot eenheid (ekaggatā) komt, niet tot kalmte (samatha) komt, niet tot een vredige (vūpasamaya) staat komt. In plaats daarvan creëert hij een disharmonie (viyatta) tussen ons en al het overige, tussen een persoonlijke 'waarheid' en wat waarheid werkelijk is. Misschien zeg je nu: 'Ik heb een goede ervaring met het benoemen. Iedereen doet dat toch? En die en die bekende monnik (bhikkhu) onderwijst het.' Maar ook dit is een persoonlijke ervaring. Het kan je een goed gevoel geven of het idee dat dit echt de weg is. Wat mensen niet begrijpen, is hoe listig de geest kan zijn, dat dit gevoel, dit idee, allemaal een creatie van de geest is. Het excuus dat iedereen dit doet is niets anders dan conditionering en omdat die en die monnik het onderwijst is niets anders dan een ongegronde aanname (sarambhapi) dat het daarom correct moet zijn. Het zijn allemaal listen van de geest. Die is niet alleen sluw, maar ook zeer snel en knap in het creëren van een wereld. Maar hij is minder knap om zich van dit alles (sakkāyadhamma) te ontdoen.

Een idee is de waarheid niet. En mensen kunnen zelfs heel rare, kromme, gevaarlijke, ziekelijke, kwalijke (pāpaka) ideeën hebben dat allemaal de basis vormt van verkeerde opvattingen (micchādiṭṭhi). Wees niet nalatig (pamada) en train jezelf in het beschouwen van de geest (cittānupassanā).

Alles brandt

Om de dingen te zien zoals ze werkelijk zijn (yathābhūtaṁ) moeten we niet met ideeën naar iets kijken. Want dat betekent een vooropgezette geest (sasaṅkhārikacitta), een vooringenomenheid, met een aanname (sarambhapi), een persoonlijke visie (sakkāyadiṭṭhi) en een tekort aan zelfvertrouwen (saddha) als basis. Dit is wat voor een verstoring (iñjita) zorgt. Het creëert een kloof tussen jou en wat er werkelijk is. Tussen een illusionair 'ik' en de waarheid.

In S35-028 zegt de Boeddha dan ook dat alles brandt. Wanneer het 'ik' in aanraking komt met een object dat de voorkeur heeft, ontstaat er een aangenaam gevoel. Maar als het een object betreft dat niet de voorkeur heeft ontstaat er een onaangenaam gevoel. Zowel voorkeur als afkeer (anurodhapaṭivirodha) intensiveert begeerte, begeerte intensiveert hechten etc. Het is omdat er onbewust een idee van 'ik' speelt dat nog niet is opgegeven (attanudiṭṭhimuhacca). Dit leidt tot een persoonlijke, ingekapselde wereld (sakkāyapariyāpanna), weg van wat er in werkelijkheid is of speelt.

Als bijvoorbeeld iemand tot je spreekt en je luistert met ideeën, hoor je niet wat er gezegd wordt omdat de ideeën ertussen zitten. Als je iets leest en er komen ideeën in je op, begrijp je niet wat er werkelijk staat geschreven omdat ideeën tussenbeide komen die de realiteit verdraaien. Ideeën kunnen het luisteren en het lezen ook meteen afkappen omdat ideeën en gevoelens toenemen (papañca) en de geest zo niet open kan zijn voor wat er werkelijk is.

Daarom is het benoemen, het persoonlijk invullen van wat er is, een manier waardoor het de verkeerde kant op gaat. De geest benoemd van zichzelf al vanwege het 'ik' dat voortdurend tussenbeide komt. De geest moet juist tot rust (samatha) komen, tot bedaren komen om helder gewaar (sampajañña) te kunnen zijn. Alle mentale activiteiten moeten tot rust worden gebracht (sabbasaṅkhārasamathāya), en daarom juist niet worden aangewakkerd (papañca). Pas wanneer de geest tot rust komt gaat hij echt zien omdat hij dan niet is afgeleid en niet wordt beïnvloed (asava), noch van binnenuit (intern) noch van buitenaf (extern). Dit echte zien is ontwaken (bujjhati) tot de realiteit hetgeen de voorwaarde is voor het realiseren van een diepe innerlijke vrede (vūpasamaya).

Het is dus zeker niet de bedoeling dat je dingen gaat benoemen, identificeren, de werkelijkheid subjectief gaat invullen. Pas als dit invullen tot bedaren komt kan in plaats daarvan louter aandacht het echte werk doen waarin met het licht van de Dhamma de dingen worden gezien zoals ze werkelijk zijn. Waarom is dat zo? Omdat hierin (idha) geen 'ik' is die tussenbeide komt oftewel vastgrijpt (upādāya), zich overal mee identificeert. Dit is wat de Sammāsambuddha onderwijst.

Vanwege het niet begrijpen van de Dhamma

En toch zijn er monniken die de mensen leren om te 'benoemen', alsof de Boeddha dit heeft onderwezen. M022 en M038 zijn sprekende voorbeelden waarin de Boeddha monniken ernstig aansprak. Hij vermaande hen omdat zij vanwege hun eigen vastgrijpen (upādāya) een verkeerd beeld van de Boeddha, de Dhamma en de Sangha creëerden. Hij zei erbij dat zij hierdoor veel schade (ahitāya) aanrichtten. Niet alleen voor zichzelf, maar ook voor anderen omdat dit de manier is waardoor de Dhamma verkeerd wordt doorgegeven en dus uit de wereld zal verdwijnen. En ondanks dat, zijn er hele legers mensen die achter zulke mensen aanlopen. Wellicht vanwege hun eigen identificatie (upādāya) waardoor ze aannemen (sarambhapi) dat deze monniken 'wijs' zijn vanwege hun gewaad, titel of gewoon vanwege persoonsverheerlijking. De dingen zien zoals je ze wilt zien (micchādiṭṭhi) is niet gelijk aan de dingen zien zoals ze werkelijk zijn (sammādiṭṭhi).

Wees altijd kritisch en onderzoekend (dhammavicaya) van geest, zoals de Sammāsambuddha, de Prachtige Mens (acchariyamanussa), de Leraar van de Leer van geen-zelf (satthā anatta vādī) ook de twijfelende Kalama's onderwees (A03-065).

Extra aanbevelingen

Eindnoten

[1] Voor een belangrijke uitleg wat de Boeddha hier bedoelt, zie saññāvedayitanirodha.

Document info
RegID EGBScStMfKGDMtK
Bijgewerkt 9 juli 2026 19:46:40
Auteur Peter van LoosbroekĀnanda
Locatie www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright Zie a.u.b. copyright www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overig Geen