In meditatie niet benoemen
Een vaak voorkomende fout in boeddhistische meditatie is het 'benoemen' van dingen of gebeurtenissen.
De allerbelangrijkste fout die bij boeddhistische meditatie gemaakt wordt, is het benoemen of innerlijk opzeggen van wat je waarneemt.
De benoeming creëert een 'ding' in de geest oftewel een formatie (saṅkhāra) zoals ideeën, mentale factoren etc. Dit vormt een voedingsbodem (āhāra) voor het ontstaan (uppajjati) van nóg meer saṅkhāra's. Want uit het één ontstaat het ander. Deze mentale dingen associëren met elkaar, voeden elkaar en dijen daardoor uit. Zo wordt de geest niet leger, maar juist voller, hetgeen het tegenovergestelde is van wat we willen bereiken: kalmte. Het benoemen is in diepe essentie gelijk aan het 'oppakken' (upādāya) dat gelijk is aan het persoonlijk identificeren waardoor een persoonlijke wereld wordt gecreëerd (sakkāyapariyāpanna).
De 'dingen' in de geest moeten dus juist tot rust komen (sabbasaṅkhārasamathāya). Die rust kunnen we alleen bereiken door nergens brandstof aan te geven: niet persoonlijk 'oppakken'. Dan komt dit alles tot uitdoving. Dit is in de boeddhistische teksten een vaak voorkomend begrip en het Pāḷi woord voor uitdoving is nirodha. Het is gelijk aan Nibbāna, het doel binnen het boeddhisme.
De weg naar Nibbāna is niet het toenemen (papañca) van dingen, maar het afnemen (nippapañca) van dingen. En omdat de geest de voorloper is van alle dingen (manopubbaṅgama) begint alles in de geest. Iemand kan alleen zelf zijn eigen geest trainen. Een ander kan dit onmogelijk voor je doen.
Saṅkhāra's zijn net zoals alle andere dingen, 'samengestelde dingen'. In het mentale gebied veroorzaken ze allerlei mentale associaties (die zelfs een hele wereld creëren). Het zijn mentale activiteiten die reacties op reacties zijn waardoor ze dus toenemen en de geest belasten (upadhi). Lijden (dukkha). Het toenemen (papañca) van dingen is niet de weg van het ophouden van lijden, oftewel de weg naar innerlijke vrede (vūpasamaya) die de Leraar van de Leer van geen-zelf (satthā anatta vādī) onderwijst, maar het afnemen (nippapañca) van dingen.
Bovenstaande is waar het in de kern van de Dhamma om draait. Het weerspiegelt datgene waarmee de Boeddha op zijn sterfbed met zijn allerlaatste woorden zijn monniken aanspoorde. Neem deze woorden van de Leraar (satthā), de Sammāsambuddha, altijd serieus en beoefen (paṭipatti) de ware Dhamma. Dit is het hoogste respect (abhivādanā) dat je aan de Boeddha kunt betuigen.
De Boeddha stierf op 80 jarige leeftijd. Zijn laatste woorden reflecteren de kern van zijn Leer (appamāda).
Handa dani bhikkhave amantayami vo: vayadhamma saṅkhāra, appamādena sampadetha.
Welnu, monniken, ik spoor jullie aan: alle samengestelde dingen moeten weer vergaan. Bewerkstellig vastbesloten door waakzaamheid jullie eigen bevrijding.
D16 — Mahā Parinibbāna Sutta — Het grote heengaan
Als je dingen benoemt, betekent dit dat je een persoonlijke betekenis geeft aan wat je waarneemt. De realiteit wordt dan persoonlijk ingevuld. Maar om te ontwaken tot de realiteit moet juist die persoonlijkheid er tussenuit gelaten worden. Het is vanwege die persoonlijkheid waardoor iemand dingen 'oppakt' (upādāya). Dit 'oppakken' is een erg belangrijk begrip in de Dhamma, want hierdoor wordt de realiteit verdraaid (vipallāsa). Het is een verstoring (iñjita) in de visie waardoor het doel — Nibbāna — onmogelijk kan worden gerealiseerd.
Voor een uitgebreide uitleg, zie Waarom het benoemen volstrekt verkeerd is.
| RegID | JGtKEymM8Ld7gh0 |
|---|---|
| Bijgewerkt | 8 augustus 2026 20:44:15 |
| Auteur | Peter van Loosbroek — Ānanda |
| Locatie | www.sleuteltotinzicht.nl |
| Copyright | Zie a.u.b. copyright www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm |
| Overig | Geen |
