De meditatie van indachtigheid
Satipaṭṭhāna
Wat zijn de vier fundamenten van indachtigheid en hoe mediteer je daarop? Velen spreken over mindfulness (indachtigheid), maar is het die indachtigheid, die inzicht meditatie, die de Boeddha heeft onderwezen?
Inhoudsopgave
Een verkenning van satipaṭṭhāna
Indachtigheid van het lichaam — Kāyānupassanā
Indachtigheid omtrent de ademhaling — Ānāpānasati
De vier posities van het lichaam — Iriyapatha
Overige meditatie onderwerpen van Indachtigheid van het lichaam — Kāyānupassanā
Indachtigheid van gevoelens — Vedanānupassanā
Indachtigheid van de geest — Cittānupassanā
Indachtigheid van mentale objecten — Dhammānupassanā
1. De hindernissen (nīvaraṇa pariggaha)
2. De aggregaten (khandha pariggaha)
3. De zintuigsferen (āyatana pariggaha)
4. De factoren van verlichting (bojjhaṅga pariggaha)
5. De vier Edele Waarheden (cattāri ariyasaccāni pariggaha)
'Fundamenten van indachtigheid'. Letterlijk: 'aanwezig zijn met aandacht' (satiupaṭṭhāna).
Inleiding
De pagina Satipaṭṭhāna — De meditatie van indachtigheid is hét uitgangspunt dat specifiek is voor je training in satipaṭṭhāna. Hier leer je heel exact wat satipaṭṭhāna is, hoe dat in elkaar steekt en hoe je het beoefent. Zo ben je ervan verzekerd dat je de allerbelangrijkste training die de Boeddha heeft onderwezen perfect in praktijk kunt brengen. Het is tevens de 7e factor van het Achtvoudige Pad.
Alles is gebaseerd op de wereldberoemde Mahā Satipaṭṭhāna Sutta — De vier fundamenten van indachtigheid. Deze toespraak is volledig op SleutelTotInzicht.nl beschikbaar. In de gedetailleerde en duidelijke instructies op De meditatie van indachtigheid wordt steeds naar deze toespraak verwezen. Daarom is alles wat je hier leert rechtstreeks gebaseerd op de woorden van de Boeddha zelf.
Begin bij het begin
Alvorens te beginnen met deze satipaṭṭhāna training is het belangrijk De basis van meditatie door te nemen. Daar zijn alle belangrijke basis principes van boeddhistische inzicht meditatie uitgelegd. Het bevat een goed methodisch opbouwend stappenplan dat het fundament is voor je verdere ontwikkeling.Een verkenning van satipaṭṭhāna
Wat is de meditatie van indachtigheid?
Inleiding
Dit artikel is bedoeld ter introductie van de vier fundamenten van indachtigheid. Hierdoor ontstaat een goed beeld van wat boeddhistische meditatie werkelijk is. Maar let op: deze meditatie vereist een goede voorbereiding! Je kunt links volgen naar deze onderwerpen ter verkenning, maar begin met meditatie zeker eerst in de sectie De basis van meditatie waar stapsgewijs en methodisch naar deze fundamenten wordt toegewerkt.
Verder wordt in dit artikel de fantastische voordelen van de ware boeddhistische meditatie benadrukt.
Een introductie tot de vier fundamenten van indachtigheid
De vier fundamenten van indachtigheid vormen de bases van de ontwikkeling van inzicht (vipassanā). Voor meer, zie satipaṭṭhāna.
- Indachtigheid van het lichaam (kāyānupassanā).
- Indachtigheid van gevoelens (vedanānupassanā).
- Indachtigheid van de geest (cittānupassanā).
- Indachtigheid van mentale objecten (dhammānupassanā).
- De vijf hindernissen (pañcanīvaraṇa).
- De vijf aggregaten van hechten (pañcupādānakkhandhā).
- De zes innerlijke en de zes uiterlijke zintuigbases (saḷāyatana).
- De zeven factoren van verlichting (sattasambojjhaṅgā).
- De vier Edele Waarheden (cattāri ariyasaccāni)
Positieve gevolgen van de ontwikkeling van inzicht
Boeddhistische meditatie is erop gericht hart en geest te zuiveren van alle storende invloeden, de zogenaamde bezoedelingen. Het is een gedisciplineerd proces, dat begint met het cultiveren (bhāvanā) van positieve kwaliteiten als welwillendheid of liefdevolle vriendelijkheid (mettā), mededogen (karuṇā) en vriendschap (mitta), meelevende vreugde over het succes van anderen (mudita) en gelijkmoedigheid (upekkha) ten opzichte van Tweede toespraak over wereldse dingen. Dit zijn componenten om het evenwicht en de kalmte of gemoedsrust te bewaren. Bij de beoefening ervan wordt contemplatie ontwikkeld in het kader van geestelijke kalmte (samatha) d.m.v. de juiste concentratie (sammāsamādhi) met het inzicht (vipassanā) dat de waarheid (sacca) verwezenlijkt en de weg naar volmaakte bevrijding (vimutti) verlicht.
De vipassanā methode brengt het verkrijgen van kennis (ñāṇa) door rechtstreekse waarneming met zich mee, hetgeen zelfvertrouwen en geestelijke evenwichtigheid doet ontstaan. Er zijn zes fasen in dit proces: het cultiveren van indachtigheid, het overwinnen van smart en verdriet, het beëindigen van lijden of het onbevredigende, het betreden van het Pad (ariya aṭṭhaṅgika magga), het helder bevatten van hoe de geest werkt. Dit wordt ook genoemd: juiste visie of algeheel begrip, wat het pad naar uiteindelijke kennis zuivert, of: juiste volharding om het doel van de uiteindelijke waarheid of Nibbāna te verwerkelijken. Contemplatie en inzicht werken samen en hun groei wordt gelijktijdig bevorderd. Om aan de intenties van deze manier van meditatie te voldoen, worden de vier fundamenten van indachtigheid gebruikt zoals hierboven opgesomd.
Wat is indachtigheid (sati)? In morele zin heeft het ten eerste te maken met geweten: iemand die waakzaam is ten opzichte van al zijn gedachten en activiteiten van het lichaam, kan het doen van het goede en het vermijden van het slechte bevorderen en de geest zuiveren van alle belemmerende neigingen (anusaya) en invloeden (asava's). Indachtigheid betekent ook oplettendheid of aandachtigheid en zorgvuldigheid. Bij de beoefening van vipassanā meditatie betekent indachtigheid: je volledig gewaar zijn van het huidige moment en de handeling die nu plaatsvindt. Aandachtigheid betekent de focus van het bewustzijn gericht op fysieke en mentale verschijnselen zoals ze zich voordoen. Op dezelfde manier wordt zuivere aandacht aan innerlijke waarneming gegeven, hetgeen men in acht neemt als het zien of kennen van het gevoel, de geestestoestand of het geestelijk object, maar zonder af te dwalen naar mentale associaties omtrent deze toestanden. Zo is indachtigheid een creatieve poging tot alertheid, concentratie en het zich realiseren van alles wat er opkomt als je mediteert.
Een nevenbetekenis is waakzaamheid ten aanzien van de bezigheden in het dagelijks leven, wat onbeperkte toepassingsmogelijkheden biedt. Indachtigheid wordt weergegeven door het gezegde uit de Dhammapada:
029. Onder de onoplettenden, oplettend. Onder de slapenden, klaarwakker. Zoals een snel paard een zwak paard achterlaat, zo wint ook degene met vlekkeloze wijsheid.
appamatto pamattesu suttesu bahujagaro abalassam'va sighasso hitva yati sumedhaso
We zien dus dat indachtigheid een hoedanigheid is die ontwikkeld moet worden, niet alleen door strikte perioden van meditatie, maar ook in de sleur van het dagelijks leven.
Het meest betekenisvolle kenmerk van deze viervoudige satipaṭṭhāna meditatie zoals die tot dusver is beschreven, is de contemplatie van gedachten, zonder onderbreking van het begin tot het einde. Dat is de allerbelangrijkste oefening. Wordt deze meditatie ijverig beoefend, dan stelt het iemand in staat het pad naar Nibbāna te betreden.
Overeenkomstig de Visuddhimagga (Pad van Zuivering) en andere belangrijke boeddhistische teksten, is het voor iemand die deze meditatie wil beoefenen, noodzakelijk om in contact te staan met een kundig en edel leraar (kalyāṇamitta). Dit is uitermate belangrijk, omdat iemand die deze meditatie wil beoefenen, zonder begeleiding door zo'n leraar, misleid kan worden. Echter… toen de commentaren werden opgesteld, was er nog geen internet en geen SleutelTotInzicht.nl. Dankzij de auteur is het niet meer nodig afhankelijk te zijn van een leraar en kun je rechtstreeks met ongekende precisie leren wat de Boeddha werkelijk heeft onderwezen. Want de Boeddha en zijn ware discipelen die het hoogste hebben gerealiseerd, dat zijn de meest voortreffelijke leraren.
Door het beoefenen van de verscheidene secties van de satipaṭṭhāna meditatie als onderdeel van de dagelijkse routine, zal iemand ook bekwaam zijn om zijn leven onder controle te krijgen. Hij zal het op een succesvolle wijze kunnen regelen, en daardoor een leven kunnen leiden van vrede en tevredenheid.
De Boeddha stierf op 80 jarige leeftijd. Zijn laatste woorden reflecteren de kern van zijn Leer (appamāda).
Handa dāni, bhikkhave, āmantayāmi vo: vayadhammā saṅkhārā appamādena sampādethā.
Welnu, monniken, ik spoor jullie aan: alle samengestelde dingen moeten weer vergaan. Bewerkstellig vastbesloten door waakzaamheid jullie eigen bevrijding.
D16 — Mahā Parinibbāna Sutta — Het grote heengaan
Waarom satipaṭṭhāna?
De satipaṭṭhāna training, ook wel 'mindfulness' genoemd, is de kern van de boeddhistische Inzicht meditatie vormen en daarmee de belangrijkste binnen het gehele boeddhistische systeem. Dit betekent niet dat alleen de satipaṭṭhāna training volstaat in het bereiken van het doel hetgeen Nibbāna is. De reden is eenvoudigweg omdat de volledige ontwikkeling van het Edel Achtvoudige Pad (Ariya Aṭṭhaṅgika Magga) nodig is voor de bevrijding van lijden. Van dit Pad vertegenwoordigt de satipaṭṭhāna training slechts een deel, namelijk de 7e factor: juiste indachtigheid. Het is niet mogelijk om het eindresultaat te bereiken zonder de overige factoren van het Pad te ontwikkelen.
De satipaṭṭhāna training — de fundamenten van indachtigheid — bestaat uit de volgende 4 hoofdgroepen waarvan de laatste uit 5 groepen bestaat.
- Indachtigheid van het lichaam (kāyānupassanā).
- Indachtigheid van gevoelens (vedanānupassanā).
- Indachtigheid van de geest (cittānupassanā).
- Indachtigheid van mentale objecten (dhammānupassanā).
- De vijf hindernissen (pañcanīvaraṇa).
- De vijf aggregaten van hechten (pañcupādānakkhandhā).
- De zes innerlijke en de zes uiterlijke zintuigbases (saḷāyatana).
- De zeven factoren van verlichting (bojjhaṅga).
- De vier Edele Waarheden (cattāri ariyasaccāni)
De functie van de satipaṭṭhāna training is het verwerven van inzicht-wijsheid (vipassanāpaññā) waarmee de verwerkelijking van Nibbāna een feit is. Maar zoals alle factoren van het Achtvoudige Pad elkaar ondersteunen, is ook de satipaṭṭhāna training een onderdeel van een geheel dat niet compleet is zonder de overige factoren van het Pad.
Iemand die inzicht meditatie beoefent dient steeds de drie kenmerken van het bestaan (zie tilakkhaṇa) in ogenschouw te nemen, namelijk: vergankelijkheid (aniccatā), lijden of het onbevredigende aspect (dukkha), en instabiliteit of het onwezenlijke (anatta) van dingen. Alle verschijningsvormen, alle dingen hebben deze drie eigenschappen gemeen, en omdat de beoefenaar zich dat volledig gewaar is, grijpt hij zich nergens meer in de wereld aan vast. De belangrijkste inzicht meditatie is de satipaṭṭhāna training.
De vier fundamenten van indachtigheid komen voor in zowel in M010 als in D22, maar D22 — Mahā Satipaṭṭhāna Sutta — De grote toespraak over de vier fundamenten van indachtigheid is uitgebreider.
D22 wordt gezien als één van de allerbelangrijkste toespraken (sutta's), en dat is niet zonder reden. De Boeddha benadrukt namelijk zelf dat dit de enige weg is:
D22 — Mahā Satipaṭṭhāna Sutta — De grote toespraak over de vier fundamenten van indachtigheid
Aan het einde van de toespraak onderbouwt de Boeddha zijn belofte en verzekert hij ons dat door deze training succes verzekerd is. En hij heeft het over 'zeven jaar', maar de satipaṭṭhāna meditatie is zó krachtig dat het resultaat ook in een week kan worden bereikt wat hij daarna aangeeft.
22. "Waarlijk, monniken, als iemand deze fundamenten van indachtigheid, op deze wijze, zeven jaar[2] zou beoefenen, dan kan hij één van deze twee resultaten verwachten: of heiligheid (arahatschap) in dit leven of, als er nog enige vorm van hechten aanwezig is, de staat van de niet-terugkerende (anāgāmī)."
D22 — Mahā Satipaṭṭhāna Sutta — De grote toespraak over de vier fundamenten van indachtigheid
Deze 4 contemplaties moeten in de praktijk niet gezien worden als louter los van elkaar staande oefeningen, maar in tegenstelling hiervan, althans in vele gevallen en in het bijzonder in de meditatieve verdiepingen (jhāna), als dingen die onafscheidelijk met elkaar verbonden zijn. Daarbij vormt de Mahā Satipaṭṭhāna Sutta een illustratie van een manier waarop deze 4 contemplaties met betrekking tot de 5 groepen van het bestaan (pañcakkhandha, zie pañcupādānakkhandhā), geleidelijk aan gerealiseerd worden en uiteindelijk leiden naar het inzicht in de onpersoonlijkheid van elke bestaansvorm.
De instructies op Satipaṭṭhāna — De meditatie van indachtigheid zijn gebaseerd op D22 — Mahā Satipaṭṭhāna Sutta — De grote toespraak over de vier fundamenten van indachtigheid. Raadpleeg de toespraak voor een gedetailleerde verhandeling omtrent alle onderwerpen van de satipaṭṭhāna meditatie in de woorden van de Boeddha zelf, inclusief belangrijke eindnoten. Het is een lange toespraak, maar zoals op veel pagina's van STI, geeft de inhoudsopgave de structuur goed weer.
De drie algemene stadia in inzicht meditatie
Inleiding
In inzicht meditatie zijn er altijd drie belangrijke stadia die elkaar stapsgewijs opvolgen en tot begrip oftewel wijsheid leiden. Het is aandacht schenken → zien → begrijpen. Of je nu mediteert op de ademhaling, op gevoelens, de staat van de geest of wat dan ook, deze aspecten vormen altijd de essentiële stadia in de ontwikkeling van inzicht.
Aandacht schenken
In het eerste stadium dien je niets anders te doen dan louter aandacht (āvajjana) te schenken aan zien, aan horen, aan gedachten etc. In het zien is er slechts zien, in het horen is er slechts horen etc., zonder allerlei associaties. Het is een kwestie van gewoon accepteren wat er is (maar niet in de zin van onderwerping), accepteren wat je waarneemt en geen weerstand bieden. Dit heeft als effect dat de stroom van willekeurige gedachten, associaties met ideeën en de innerlijke stem (vacīsaṅkhāra) onder controle wordt gehouden. Vanwege vastgeroeste patronen moet je vastberaden zijn in het oefenen, om deze afdwalingen in het begin meer dan een paar seconden onder controle te krijgen. Het kan en het zal spoedig zegenrijk blijken.
"Hier (idha), Bahiya, moet je jezelf aldus trainen: 'In hetgeen men ziet, zal slechts zijn wat gezien is; in hetgeen men hoort, zal slechts zijn wat gehoord is; in hetgeen gevoeld wordt, zal slechts zijn wat gevoeld is; in hetgeen men waarneemt, zal slechts zijn wat waargenomen is.' Op deze manier moet je jezelf trainen, Bahiya[3]."
"Als, Bahiya, in hetgeen je ziet, slechts is wat gezien is; in hetgeen je hoort, slechts is wat gehoord is; in hetgeen je voelt, slechts is wat gevoeld is; in hetgeen je waarneemt, slechts is wat waargenomen is, dan, Bahiya, zul je niet 'daarbij' horen; als, Bahiya, je niet 'daarbij' hoort, dan, Bahiya, zul je niet 'daarin' zijn; als, Bahiya, je niet 'daarin' bent, dan, Bahiya, zul je noch hier, noch aan de andere zijde, noch tussen beide in zijn. Precies dit is het einde van lijden."
Ud1-10 — Bahiya Sutta — Bahiya
Zien
Het tweede stadium van meditatie treedt op wanneer je waakzaam bent geworden ten aanzien van een van de zes zintuigen. Het bestaat uit de respectievelijke zintuigbasis en het zintuigobject dat erbij betrokken is (āyatana), terwijl je nota neemt van elke band/keten (kāmaguṇa) van aantrekkingskracht of afkeer (anurodhapaṭivirodha) die de onverlichte geest kan bezwaren. Gewaarzijn (vijānana) van deze toestanden is het doel in dit stadium. Echter, voordat gewaarzijn ontwikkeld kan worden moet het object eerst gezien (passati) worden. Dit is gelijk aan het ontdekken. De training in aandacht is leven in het moment waarbij alle oude dingen die eerder vergaard zijn (upadhi) overboord worden gegooid en zodoende het nieuwe kan worden ontdekt. Daarom is boeddhisme een ontdekkingstocht.
Begrijpen
Ten derde dien je de ketenen en banden (kāmaguṇa) die ontstaan door de zes inwendige en uitwendige zintuigsferen (saḷāyatana) te leren kennen en duidelijk te begrijpen (sampajañña), op te merken hoe ze ontstaan, hoe ze zich manifesteren en dan weer verdwijnen. Contemplatie zal je in dit stadium onthullen hoe ze op een natuurlijke wijze losgelaten worden en hoe je voortaan kunt voorkomen dat ze opnieuw ontstaan. Deze weg leidt tot overwinning van Het zelf en beheersing over het leven.
Lees straks ook eens Wees altijd als een passieve toeschouwer. Want meditatie is niet louter op een kussentje zitten. Het behelst ook de mentale houding onder diverse toestanden en gebeurtenissen in de sleur van het dagelijks leven.
Hoe beoefen je satipaṭṭhāna?
Hoe beoefen je satipaṭṭhāna?
De vier contemplaties bevatten verscheidene oefeningen. Deze worden in eerste instantie afzonderlijk getraind. Uiteindelijk is het de bedoeling dat de beoefening van alle afzonderlijke satipaṭṭhāna onderwerpen samensmelten zodat ze één krachtig instrument van totaal objectief gewaarzijn (sampajañña) in het dagelijks leven vormen.
Ofschoon de meeste van de oefeningen ook elders in de boeddhistische geschriften verschijnen, zijn ze in de context van D22 — Mahā Satipaṭṭhāna Sutta — De grote toespraak over de vier fundamenten van indachtigheid hoofdzakelijk bedoeld voor indachtigheid en inzicht, zoals de Boeddha dat zegt in de zich steeds herhalende passage ter afsluiting van elke sectie van de toespraak.
De 4 contemplaties omvatten alle 5 groepen van het bestaan (pañcupādānakkhandhā) omdat indachtigheid bedoeld is om de gehele persoonlijkheid (sakkāyapariyāpanna) te belichten. Vandaar dat voor de volledige ontwikkeling van indachtigheid, de oefening zich moet uitstrekken naar alle 4 de types van contemplatie. Echter, niet elke oefening die genoemd is als deze vier fundamenten, hoeft steeds beoefend te worden.
Je meditatie methodisch opbouwen
De ontwikkeling van totaal gewaarzijn (sampajañña) dient opgebouwd te worden door steeds te kiezen voor één onderwerp. Na een tijdje — enkele dagen, een week — kies je een ander onderwerp waar je jezelf op gaat toeleggen. Door doelbewust steeds één onderwerp uit de satipaṭṭhāna training te kiezen, raak je in dat ene specifieke onderwerp goed bedreven. Je wordt er 'een specialist' in zoals ook een vakbekwaam iemand is gespecialiseerd in één specifiek vakgebied. Je kunt immers maar één ding heel goed doen, zeker bij aanvang van de training.
Het doelbewust kiezen van één specifiek onderwerp is tevens belangrijk omdat dan het object van meditatie helder voor de geest komt. Langzaamaan zullen meerdere onderwerpen in je hart samensmelten zodat het totaal gewaarzijn ook echt kan ontwikkelen. Dit betekent dat de kracht van al die specifieke oefeningen samengebundeld worden tot één krachtig instrument van totaal gewaarzijn (sampajañña).
Totaal gewaarzijn betekent dus dat je alles binnen de vijf groepen van het bestaan (pañcupādānakkhandhā) helder begrijpt. Dat is de bedoeling, want dat betekent de verwerving van Nibbāna. Totaal helder gewaarzijn oftewel intuïtief inzicht, is pas mogelijk zonder de bemoeienis van 'ik'. Daarom is de Boeddha 'de Leraar van de Leer van geen-zelf' (satthā anatta vādī).
Intuïtief inzicht
Onder intuïtief inzicht of intuïtieve wijsheid verstaan we het inzicht dat ontstaat zonder de tussenkomst van 'ik'. D.w.z. dat er geen persoonlijke invulling gegeven wordt aan wat is waargenomen. Het wordt dan ook verkregen zonder gekunsteldheid, zonder aannames (sarambhapi), zonder aanzet (asaṅkhārikacitta) of beïnvloeding van wat dan ook.
Gewaarzijn (vijānana) kan gezien worden als de basis voor intuïtief inzicht omdat een object alleen correct kan worden herkend zonder persoonlijke invulling (upādāya). Naarmate bewustzijn (viññāṇa) verder wordt ontwikkeld (zuiverder wordt) gaat dit gewaarzijn (vijānana) geleidelijk over in helder begrip (sampajañña) dat gelijk is aan doordringend inzicht (paṭivedha).
Zie ook Van bewustzijn naar helder begrip.
Het totale gebeuren
Bij aanvang van de oefening begin je met kleine stapjes. Beetje bij beetje raak je meer 'gespecialiseerd' in een bepaald onderwerp. Ook het aantal meditatie onderwerpen wordt geleidelijk aan uitgebreid waardoor je 'specialisme' een ruimer gebied zal bestrijken. Ons gewaarzijn wordt breder en dieper. We gaan steeds meer zien (passati) en begrijpen (sammapaññā).
De training in de Indachtigheid van het lichaam — Kāyānupassanā, vooral de training in Indachtigheid omtrent de ademhaling — Ānāpānasati, maakt je opmerkzamer en vormt een essentiële basis voor een betere concentratie in het algemeen.
Omdat de aandacht is aangescherpt (fundament 1), je geleerd hebt gevoelens te beschouwen en weet hoe ze opkomen en weer vergaan (fundament 2), je geleerd hebt de staat van de geest te beschouwen (fundament 3), en je kennis van de Dhamma hebt (fundament 4), zullen veel toestanden — zowel in de interne- als in de externe wereld — sneller en helderder gezien (passati) en begrepen (sammapaññā) worden.
De satipaṭṭhāna training is een onderdeel van het Pad
Alle afzonderlijke onderdelen van de satipaṭṭhāna training versmelten met elkaar. En deze satipaṭṭhāna training dient ook samen te gaan met de gelijktijdige ontwikkeling van het Edel Achtvoudige Pad (Ariya Aṭṭhaṅgika Magga). Vergeet nooit dat deze twee niet los van elkaar bestaan. Satipaṭṭhāna is notabene de 7e factor van het Pad, juiste indachtigheid. Het Pad kan niet ontwikkeld worden zonder de satipaṭṭhāna training, en de satipaṭṭhāna training is niet volledig zonder de beoefening van het Pad.
De ademhaling als primaire oefening
Train vooral in het begin vaak de indachtigheid m.b.t. de ademhaling omdat deze het meest eenvoudig is en de basis vormt voor de training in totaal objectief gewaarzijn (sampajañña).
Daarna dient een methodische beoefening van deze satipaṭṭhāna te worden gestart met één van de oefeningen uit de groep Indachtigheid van het lichaam — Kāyānupassanā die dienst zal doen als het primaire en vaak terugkerende onderwerp van meditatie. Van tijd tot tijd kun je uit deze groep dan een ander onderwerp kiezen. Blijf wel vaak de meditatie op de ademhaling trainen. Naarmate je gewaarzijn beter wordt, en je jezelf traint in het dagelijks leven, kun je het wat minderen en de studie in de Dhamma wat meer oppakken. Ook dat is meditatie.
Ten tijde van de Boeddha werd meteen begonnen met M118, maar de mensen toen waren veel meer vertrouwd met de Leer dan tegenwoordig.
In M118 — Ānāpānasati Sutta — De indachtigheid van ademen wordt aangetoond hoe de vier fundamenten van indachtigheid tot stand gebracht kunnen worden door de oefening van de in- en uitademing. Het is goed deze toespraak te bestuderen en een tijdje te oefenen voordat je overgaat naar de satipaṭṭhāna methode. Ben je nog maar pas bezig, volg dan eerst de instructies op De basis van meditatie.
De andere oefeningen van de groep kāyānupassanā en die van de andere contemplaties, zijn ervoor, om gecultiveerd te worden alleen wanneer de omstandigheden zich voordoen gedurende de meditatie en in de sleur van het dagelijkse leven waarmee meditatie altijd verweven is.
Na elke contemplatie laat de Boeddha (in D22) zien hoe dit uiteindelijk leidt tot inzicht-wijsheid (vipassanāpaññā).
Lees ook eens de methode die cruciaal is in inzicht meditatie: Wees altijd als een passieve toeschouwer.
Indachtigheid van het lichaam — Kāyānupassanā
Raadpleeg straks — na onderstaande toelichting — ook de woorden van de Boeddha in D22 — Mahā Satipaṭṭhāna Sutta — De grote toespraak over de vier fundamenten van indachtigheid.
Indachtigheid omtrent de ademhaling — Ānāpānasati
Toelichting bij de indachtigheid van ademen
Vaak wordt de indachtigheid van ademen geoefend door de bewegingen van de buik te volgen omdat men de term sabbakāyapaṭisaṁvedī verkeerd interpreteert. Dit woord betekent 'het hele adem-lichaam ervaren'. Ik (auteur) heb een instructievideo gezien waarin iemand demonstreerde dat het de bedoeling is om met je handen langs heel je lichaam te strelen…
Het woord 'kāya' wordt vaak in relatie gebracht met 'lichaam', maar in dit geval is dat niet juist. Kāya heeft namelijk meerdere betekenissen. De Boeddha bedoelt hier de gehele beweging van de in- en uitademing. Zie sabbakāyapaṭisaṁvedī.
De indachtigheid van ademen oefen je door de in- en uitgaande bewegingen van de ademhaling op te merken. Met je geest kijk je naar het inademen en het uitademen en word je je van tijd tot tijd veranderingen in het ritme van de ademhaling gewaar (vijānana). Ademhalingen kunnen diep of oppervlakkig zijn, langzamer of sneller worden en volgen daarbij natuurlijke neigingen die op geen enkele manier beïnvloed of gemanipuleerd dienen te worden. Het is belangrijk het lichaam recht en de geest waakzaam (appamāda) te houden, terwijl je scherp oplet en je zo min mogelijk beweegt. Je moet gemakkelijk zitten, maar zonder achterover te leunen of te liggen, anders komt de slaap misschien tussenbeide. De handen moeten losjes in de schoot liggen en de ogen moeten gesloten zijn. Het lichaam moet in evenwicht en rechtop zijn, maar niet gespannen of stijf. Uitersten als stijfheid en slapheid moeten vermeden worden; het boeddhisme bewandelt immers de middenweg (majjhimā paṭipadā). Aanwezigheid van geest is nu het thema en de aandacht moet op de in- en uitademing rusten. Telkens wanneer de geest afdwaalt of een willekeurige gedachte volgt, moet je dat onderkennen en terugkeren naar de in- en uitademing.
Om te volharden in het gewaarzijn van deze bewegingen zoals ze zich voordoen, kun je van elk stadium nota nemen door in de geest de in- en uitgaande beweging van de adem steeds opmerkzaam te zijn zonder de gedachten 'in... uit... in... uit…', maar er alleen met niets anders dan met helderheid van geest en louter aandacht ernaar te kijken. Dit is een kwestie van eenvoudig zijn wat voor veel mensen moeilijk is vanwege de tussenkomt van het 'ik' (atta).
Vrij zijn in het zien
De cruciale basis waardoor alles wat er zich voordoet kan worden gekend (vijānana), erkend (abhiññeyya) en helder begrepen (sampajañña), is zonder de tussenkomst van het 'ik'. Want alleen op deze manier kan louter aandacht (āvajjana) het belangrijke werk doen. Zonder de dominantie van het ego is er vrijheid van rechtstreeks zien (passati) waarbinnen intuïtieve wijsheid (vipassanāpaññā) vrijelijk en op een natuurlijke wijze stroomt.
Het is een inzicht dat onafhankelijk (anissita) is van wie of wat dan ook. Dit is de weg die leidt tot het ontwaken (bujjhati). Bij alles, altijd en overal.
Je moet niet denken of in jezelf opzeggen wat je doet, maar er alleen maar passief naar kijken zodat alles wat er op dat moment is en gebeurt je volledig duidelijk wordt. Het opzeggen, het benoemen van wat er is, wordt dikwijls onderwezen, maar hierdoor breng je allerlei gedachtenprocessen en daarom beeldvorming op gang wat juist voorkomen moet worden. De geest is de voorloper (manopubbaṅgama) van alle dingen, vandaar gedachtenprocessen tot rust (samatha) moeten komen zodat we objectiever kunnen kijken. In Waarom het benoemen volstrekt verkeerd is is hieromtrent een belangrijk kernpunt uiteengezet.
Lees straks ook eens Wees altijd als een passieve toeschouwer. Want meditatie is niet louter op een kussentje zitten. Het behelst ook de mentale houding onder diverse toestanden en gebeurtenissen in de sleur van het dagelijks leven.
Indachtigheid komt neer op bij de tijd blijven. Het echte leven speelt zich niet af in het verleden of in de toekomst, maar alleen op dit moment. Bij alles wat je doet moet je leren bij de handeling te blijven, niet bij het idee of in je verbeelding. Tijdens de ānāpānasati oefening dien je te observeren wat langer duurt, de in- of uitademing, of welke van de twee duidelijker is, de in- of uitademing. Als je het niet duidelijk kunt zien, moet je zeer aandachtig blijven voor het bewegende proces van het ademhalen. Verder let je erop dat je lichaam recht blijft. Je blijf met je aandacht uitsluitend bij de ademhaling.
Als je gedachten afdwalen, wat zeker zal gebeuren, is het belangrijk dit te zien. Zodra je het ziet, ga je kort na hoe dat kwam, wat de oorzaak was. Welke gedachte overging in een andere gedachte. Zo leer je de stroom van gedachten zien. Je leert oorzaken en verbanden zien wat ondersteunend werkt in het begrijpen van de wet van het afhankelijk ontstaan (paṭiccasamuppāda). Zodra je ziet dat de aandacht is afgedwaald, stap je eruit, laat je jezelf niet langer meenemen door de stroom van gedachten.
Naarmate je deze oefening onder de knie krijgt, ontspant het lichaam zich en wordt de ademhaling rustig (passambhayaṁ kāyasaṅkhāraṁ). Je zult je heel vredig voelen en niet gestoord worden door gebeurtenissen in de geest (intern) of daarbuiten (extern). Op zo'n moment heeft de geest geen behoefte aan noties van het zelf, ego, of de ziel. Er is geen gevoel van eigen activiteit, slechts een objectief totaal gewaarzijn (sampajañña) van voorbijgaande verschijnselen en de daarmee verband houdende toestanden. Nu kun je begrijpen hoe de gehele beweging van de ademhaling (sabbakāyapaṭisaṁvedī) van moment tot moment plaatsvindt. Als je je dit realiseert, ontstaat er kennis (ñāṇa) en openbaart intuïtief inzicht het licht van waarheid (sacca). Met een dergelijk gewaarzijn kun je gelukkig en onafhankelijk (anissita) leven in een wereld die ingewikkeld en in verwarring is. De tot volmaaktheid gekomen mens is het mooiste wezen van al; maar geïsoleerd in zijn persoonlijkheid (sakkāyapariyāpanna) en ego is hij een van de slechtste. In de gewone menselijke staat is er altijd de mogelijkheid en het vermogen om volmaaktheid (arahatta) te bereiken, maar als de kwaliteiten die daaraan inherent zijn niet beoefend worden, kan de mens gemakkelijk tot slechtere geestelijke en lichamelijke toestanden vervallen en een gevaar (ādīnava) voor zichzelf en voor anderen worden. Je dient te allen tijde alle lichaamsbewegingen en houdingen (kāyānupassanā) met opmerkzaamheid uit te voeren en goed te begrijpen (sampajañña) wat je elk moment doet.
Vipassanā meditatie is veel objectiever dan de toevallige toeschouwer zou denken. Het idee van zelf, ego, of ik neemt geleidelijk aan af (attanudiṭṭhimuhacca) door het groeiende gewaarzijn van het 'hier en nu'. Onrustige bewegingen in lichaam en geest belemmeren je om objectief gewaar te zijn zodra je je van jezelf bewust bent, wanneer het 'ik' een belangrijke plaats inneemt. Zelfbewustzijn oftewel 'bewust van ik', (sakkāyapariyāpanna) is een hinderpaal voor waar inzicht (vipassanā). De functie van inzicht meditatie (vipassanābhāvanā) is om helder en duidelijk te maken dat er nergens een onveranderd zelf of onveranderlijke ziel (atta) gevonden kan worden. Alle gebeurtenissen en dingen beïnvloeden elkaar en hebben een onderling verband. Ontstaat het een, dan ontstaat het andere ook; of, zonder dit kan dat er niet zijn. Of, nog anders: het ene eindigt door het andere en zou anders niet afgelopen zijn. De ware boeddhist (dhammānuvattī) ziet dit als de regels van het bestaan en het niet-bestaan. Het idee van een tijdseenheid is louter een product van de geest, net zoals ideeën over een zelf (atta) of een ziel. Zij bestaan slechts totdat de uiteindelijke waarheid (sacca) gerealiseerd wordt (bujjhati).
Extra aanbevelingen
In M118 — Ānāpānasati Sutta — De indachtigheid van ademen geeft de Boeddha uitleg over hoe de vier fundamenten van indachtigheid tot stand gebracht kunnen worden door de oefening van de in- en uitademing.
Een goede hulp bij het bestuderen van M118 en het beoefenen van de indachtigheid van de ademhaling, zie De ānāpānasati oefening.
De vier posities van het lichaam — Iriyapatha
Bij 'de vier posities van het lichaam', d.w.z. lopen, staan, zitten, liggen, moet je bijvoorbeeld zo gedetailleerd mogelijk aandacht schenken aan je bewegingen. Wat je in dit stadium nastreeft, is alles wat het lichaam doet goed te blijven begrijpen. Het doel hiervan is de aandacht goed te bepalen bij elke gebeurtenis die zich voordoet, maar er niet je fantasie bij te halen. Eén ding tegelijk is essentieel; het doel gaat verloren als men tijdens een bezigheid aan iets anders denkt. Het is belangrijk de notie van een wezenlijk 'ik' in verband met deze observaties te vermijden want niemand kan bewijzen dat er een 'ik' is die handelt. Waar is die onveranderlijke blijvende ik? Die is er niet, dus alle rede om 'ik' los te laten.
Overige meditatie onderwerpen van Indachtigheid van het lichaam — Kāyānupassanā
Opmerking De rubriek Indachtigheid van het lichaam — Kāyānupassanā in D22 — Mahā Satipaṭṭhāna Sutta — De grote toespraak over de vier fundamenten van indachtigheid, bevat ook nog de volgende meditatie onderwerpen:
- De vier soorten van helder begrip — Catusampajañña
- Het beschouwen van de walgelijkheden van het lichaam — Patikkulamanasikara
- De beschouwing van de materiële elementen — Dhātumanasikāra
- Beschouwingen van de negen soorten lichamen — Navasivathikapabba
Raadpleeg ook de woorden van de Boeddha in D22 — Mahā Satipaṭṭhāna Sutta — De grote toespraak over de vier fundamenten van indachtigheid.
Indachtigheid van gevoelens — Vedanānupassanā
Raadpleeg straks — na onderstaande toelichting — ook de woorden van de Boeddha in D22 — Mahā Satipaṭṭhāna Sutta — De grote toespraak over de vier fundamenten van indachtigheid.
Toelichting bij de indachtigheid van gevoelens
Gevoelens nemen een erg belangrijke plaats in die de kwaliteit van het mentale gebied sterk beïnvloeden. Ze hebben een functie, maar als de geest niet correct functioneert, functioneren de gevoelens ook niet correct. Maar eigenlijk moet ik zeggen: 'dan missen gevoelens de functie waarvoor ze bedoeld zijn'. Er bestaat dan de kans dat we door gevoelens overweldigd worden en dat ons leven door gevoelens wordt beheerst. Om dit te voorkomen is het belangrijk te begrijpen hoe gevoelens ontstaan.
Eenvoudig gezegd zijn er drie soorten gevoelens: aangename, onaangename en neutrale gevoelens. Wanneer onze zintuigen krijgen wat ze begeren, ontstaat er een aangenaam gevoel; krijgen ze dat niet, dan ontstaat er een onaangenaam gevoel in de vorm van frustratie, teleurstelling, depressie of zelfs woede (paṭigha). Dit staat sterk in relatie met voorkeur en afkeer (anurodhapaṭivirodha) en het is belangrijk te begrijpen hoe dit werkt.
Om controle over gevoelens te krijgen, moet je leren om er met louter aandacht naar te kijken, net zoals een poortwachter die ziet welke mensen naar binnen gaan en welke mensen naar buiten gaan. Zodra er een aangenaam, onaangenaam of neutraal gevoel ontstaat, dien je het als zodanig te herkennen (sampajañña). Hoewel het object van meditatie de gevoelens (vedanā) zijn, is er niet een persoon die op zoek is naar een gevoel. Mediteer altijd zonder verwachtingen en zonder dat je ergens naar op zoek bent. Je moet leren om naar gevoelens te kijken en er verder niets mee te doen (anupādāya). Op den duur zul je met het oog van wijsheid (buddhacakkhu) zien, dat je slechts een stroom van gebeurtenissen gadeslaat, gebeurtenissen die opkomen (uppada) en weer moeten vergaan (vaya). Dat is hun ware aard (saṅkhatalakkhaṇa), net zoals de ademhaling en alle andere dingen die deze aard ook in zich dragen. Alle gevoelens, inclusief alle andere verschijnselen, moeten weer verdwijnen. Je kunt ze niet hebben, je kunt er geen bezitter van zijn. Net zomin als van een streep op het wateroppervlak of van een zeepbel.
Elk soort gevoel dient in de geest onderkend te worden zodra het opkomt (uppajjati). Wanneer er bijvoorbeeld een gevoel van genot in je opkomt, dien je het onmiddellijk te beschouwen als: 'Dit is een gevoel van genot.' Niet benoemen, maar louter het weten, begrijpen wat er is, is essentieel. Op dezelfde manier dien je ook mentaal nota te nemen van onaangename gevoelens of neutrale gevoelens. Je moet proberen naar het gevoel te kijken, min of meer als een poortwachter die louter ziet hoe mensen in- en uitgaan. Verder moet je leren zien en ontdekken (passati) hoe het gevoel ontstond en hoe het voorbijging. Met oefening zul je alle gevoelens beginnen te begrijpen, totdat het gemakkelijk wordt om ze in toom te houden en ze ervan te weerhouden de geest in beroering te brengen. Pas wanneer gevoelens ongemerkt komen aansluipen, lopen we gevaar erdoor overweldigd en misschien eraan onderworpen te worden, maar zodra we ze zien zoals ze zijn (yathābhūtaṁ), heersen ze niet meer over ons (zie kāma mathenti citta). Dit leidt tot inzicht in gevoelens met het oog van wijsheid, waardoor ware kennis (vijjā) ontstaat. Hoewel gevoelens bestaan, gezien het feit dat ze opkomen en verdwijnen, is er in werkelijkheid geen zelf of ego dat voelt. Je zult gaan begrijpen (sampajañña) dat het — net zoals alle andere dingen — opkomende en verdwijnende verschijnselen (dhamma's) zijn.
Gevoelens zijn gebeurtenissen die komen en gaan, ze veranderen voortdurend van toestand (thitassa aññatattam) a.d.h.v. onze voorkeur en afkeer (anurodhapaṭivirodha). Dit is hun ware aard en het kenmerk van alle dingen (saṅkhatalakkhaṇa).
Indachtigheid van de geest — Cittānupassanā
Raadpleeg straks — na onderstaande toelichting — ook de woorden van de Boeddha in D22 — Mahā Satipaṭṭhāna Sutta — De grote toespraak over de vier fundamenten van indachtigheid.
Toelichting bij de indachtigheid van de geest
Wanneer de geest in een staat (citta) van begeerte verkeert, moet je je dat gewaar zijn en ook wanneer die begeerte afwezig is. Op dezelfde wijze moet je objectief opmerken wanneer de geest in een toestand (citta) van haat, begoocheling of instabiliteit is, of juist niet en (na voldoende oefening) moet je de staat van vrijheid en onvrijheid van de geest opmerken. Het opkomen en verdwijnen van gedachten, emoties en sentimenten, of enige andere staat die invloed heeft op de geest, moet zorgvuldig opgemerkt, herkend en begrepen worden wanneer hij zich voordoet. Door alle toestanden van de geest te kennen, kom je tot het begrip: 'Er zijn alleen gedachten of denkprocessen, maar er is geen aanwijzing dat er een denker bestaat. Het denken ontstaat vanwege bepaalde voorwaarden (paccaya), bepaalde omstandigheden; wanneer de omstandigheden ophouden te bestaan, gebeurt dat ook met de gedachte en meer is het niet.'
Indien de geest op de juiste manier ontwikkeld wordt, brengt hij zegen en geluk tot stand, maar indien veronachtzaamd, komt hij eindeloos in moeilijkheden, want een wankele geest is zwak en ineffectief. Om deze redenen trainen verstandige mensen hun geest zo grondig als pikeurs hun paarden. De natuurlijke toestand van de geest zou zuiver zijn indien hij niet werd vervuild door zintuiglijke indrukken. Het oefenen van indachtigheid is bedoeld om verder bederf van de geest tegen te gaan en onzuiverheden die er tot dusver ingeslopen zijn te verwijderen. De geest die waarlijk geschoond is van hinderlijke geestestoestanden is als een heldere spiegel.
Indachtigheid van mentale objecten — Dhammānupassanā
Raadpleeg straks — na onderstaande toelichting — ook de woorden van de Boeddha in D22 — Mahā Satipaṭṭhāna Sutta — De grote toespraak over de vier fundamenten van indachtigheid.
Dhammānupassanā bhāvanā betekent letterlijk: 'de ontwikkeling van indachtigheid van de (onderwerpen) van de Dhamma'.
Dhammānupassanā is het vierde onderdeel van de satipaṭṭhāna training. Dhammānupassanā betekent het observeren van dingen zoals gedachten omtrent de Dhamma (cetasikadhamma): de hindernissen zoals kāmacchanda, vyāpāda, etc. (nīvaraṇa), de aggregaten zoals rūpa, vedanā, etc. (khandha), de zintuigbases zoals oog, oor, etc. (ayatanadhamma), de factoren van verlichting zoals sati, dhammavicaya, etc. (bojjhangadhamma), en de vier Edele Waarheden (cattāri ariyasaccāni). Deze meditatie kan beschouwd worden als de moeilijkste in de satipaṭṭhāna meditatie reeksen.
Indachtigheid van mentale objecten waardoor men de vier fundamenten van indachtigheid completeert, betekent het beschouwen van de gehele weg van verlichting die in de Leer van de Boeddha gegeven wordt. Om hem die mediteert te helpen inzien hoe hij naar lichaam en geest in elkaar steekt, benadrukt de Leer het bestuderen van de vijf volgende objecten van de geest; je die volledig gewaar zijn is het doel van de oefening en door ze goed te observeren en te overdenken zal je geest steeds beter de onderlinge relatie gaan begrijpen.
Hierna volgen de onderdelen in detail. 'Pariggaha' betekent 'het in delen bespiegelen'.
1. De hindernissen (nīvaraṇa pariggaha)
Aanvullende ondersteuning: zie Pañcanīvaraṇa — De vijf hindernissen.
De groep van de hindernissen. Er zijn vijf hindernissen die het pad naar Nibbāna blokkeren. Het zijn: 1. zintuiglijk verlangen (kāmacchanda); 2. kwade wil (vyāpāda); 3. luiheid en traagheid (thina middha); 4. rusteloosheid en zorgelijkheid (uddhaccakukkucca); 5. sceptische twijfel (vicikiccha).
a. kāmacchanda: zintuiglijke verlangens ontstaan door objecten als bevredigend zijnde te beschouwen. Men dient naar kāmacchanda op de volgende vijf manieren te kijken:
- Als een zintuiglijk verlangen (kāmacchanda) opkomt in de geest, de aanwezigheid ervan gewaar zijn.
- Als er geen zintuiglijk verlangen in de geest is, de afwezigheid ervan gewaar zijn.
- De manier gewaar zijn waarop een zintuiglijk verlangen dat tot nu toe nog niet in de geest is opgekomen, tot stand zal komen.
- De manier gewaar zijn waarop een zintuiglijk verlangen dat is opgekomen in de geest, zal ophouden te bestaan.
- De manier gewaar zijn waarop een zintuiglijk verlangen, dat niet meer in iemands geest bestaat, niet meer tot stand zal komen.
b. vyāpāda: kwade wil bezoedelt de geest en blokkeert de weg naar Nibbāna. Men dient naar vyāpāda op de volgende vijf manieren te kijken:
- Als er kwade wil (vyāpāda) in de geest opkomt, de aanwezigheid ervan gewaar zijn.
- Als er geen kwade wil in de geest is, de afwezigheid ervan gewaar zijn.
- De manier gewaar zijn waarop kwade wil die tot nu toe nog niet in de geest is opgekomen, tot stand zal komen.
- De manier gewaar zijn waarop kwade wil die is opgekomen in de geest, zal ophouden te bestaan.
- De manier gewaar zijn waarop kwade wil die is opgehouden te bestaan in iemands geest, niet meer tot stand zal komen.
c. thina middha: luiheid en traagheid hebben hier vooral betrekking tot het mentale gebied. Thina middha moet bespiegeld worden op dezelfde vijf manieren die eerder bij kāmacchanda en vyāpāda gegeven zijn.
d. uddhaccakukkucca: rusteloosheid en overbezorgdheid die in de geest ontstaat. Deze mentale agitatie is een blokkade voor kalmte, en een hindernis op het pad naar Nibbāna. Ook deze hindernis moet op de vijf manieren bespiegeld worden die al eerder zijn genoemd.
e. vicikiccha: twijfel die verschijnt omtrent de volgende acht aspecten van de Leer, namelijk:
- Twijfel omtrent de Boeddha.
- Twijfel omtrent de Dhamma.
- Twijfel omtrent de Saṅgha.
- Twijfel omtrent de regels/training (sikkhā).
- Twijfel omtrent iemands vorige leven.
- Twijfel omtrent iemands volgende leven.
- Twijfel omtrent iemands vorige én volgende levens.
- Twijfel omtrent de Leer van het afhankelijke ontstaan (paṭiccasamuppāda).
Ook deze twijfels moeten bespiegeld worden op de vijf manieren die al eerder zijn genoemd. De bespiegeling van elke van deze vijf hindernissen (nīvaraṇa) in delen, wordt nīvaraṇa pariggaha genoemd.
2. De aggregaten (khandha pariggaha)
Aanvullende ondersteuning: zie Pañcupādānakkhandhā — De vijf groepen van hechten.
De vijf groepen van hechten (ook wel 'aggregaten' of 'groepen van het bestaan') — lichamelijkheid, gevoelens, waarnemingen, mentale formaties en bewustzijn — zijn de groepen die zowel een wezen als het hele bestaan uitmaken. Zij bestaat uit:
- Het aggregaat van hechten aan vorm (rūpupādānakkhandha).
- Het aggregaat van hechten aan gevoelens (vedanupādānakkhandha).
- Het aggregaat van hechten aan waarnemingen (saññupādānakkhandha).
- Het aggregaat van hechten aan mentale formaties (saṅkhārupādānakkhandha).
- Het aggregaat van hechten aan bewustzijn (viññāṇupādānakkhandha).
Men dient vorm (rūpa) op de volgende manier te bespiegelen: "Vorm heeft een wereldse aard. Op deze manier is vorm in het bewustzijn gekomen. Vorm zal ook op deze manier weer verdwijnen." Dezelfde procedure dient men ook te volgen bij de bespiegeling van de andere aggregaten van hechten: gewaarwordingen of gevoelens (vedanā), waarnemingen (saññā), mentale formaties (saṅkhāra), en bewustzijn (viññāṇa). Het doel van deze meditatie is om bevrijd te raken van iedere gehechtheid aangaande deze aggregaten, door hun vergankelijke natuur te beseffen, oftewel hun leegheid in te zien in het licht van de drie kenmerken (tilakkhaṇa) van het bestaan: vergankelijkheid, onbevredigende aard en instabiliteit of onwezenlijk karakter.
3. De zintuigsferen (āyatana pariggaha)
Aanvullende ondersteuning: zie Āyatana — De zintuigsferen.
Āyatana betekent zintuigbasis. Er zijn er twaalf in getal, en zij zijn in twee groepen ingedeeld — inwendige en uitwendige.
De zes inwendige zintuigbases (ajjhattikāyatana) zijn:
- De basis van het oog (cakkhāyatana).
- De basis van het oor (sotāyatana).
- De basis van de neus (ghānāyatana).
- De basis van de tong (jivhāyatana).
- De basis van het lichaam (kāyāyatana).
- De basis van de geest (manāyatana).
De zes uitwendige zintuigbases (bahirāyatana) zijn:
- De basis van vorm oftewel zichtbare objecten (rūpāyatana).
- De basis van geluid (saddāyatana).
- De basis van reuk (gandhāyatana).
- De basis van smaak (rasāyatana).
- De basis van tastbare objecten (phoṭṭhabbāyatana).
- De basis van mentale objecten (dhammāyatana).
Men dient elke zintuigbasis op de volgende vijf manieren te bespiegelen:
- Weten wat die zintuigbasis is.
- Weten hoe de zintuigbasis opgekomen is.
- Weten hoe de zintuigbasis die tot nu toe nog niet is opgekomen, tot stand komt.
- Weten hoe de zintuigbasis die opgekomen is, ophoudt te bestaan.
- Weten hoe de zintuigbasis die opgehouden heeft te bestaan, niet meer opkomt.
Wanneer je de beide werelden (de interne en de externe) gewaar bent, kun je de samenhang van dingen zien en zul je beseffen dat de innerlijke en uiterlijke wereld niet echt van elkaar gescheiden zijn. Innerlijk en uiterlijk worden dan niet langer meer als twee apart van elkaar bestaande verschijnselen gezien.
Steeds wanneer er een afhankelijkheid is — een vastgrijpen vanuit oude gewoontepatronen — in zien, horen, ruiken, proeven, aanraken en denken, zal het één een voorwaarde voor het andere zijn. Zo beïnvloeden de inwendige zintuigsferen elkaar onderling en worden ze steeds weer opnieuw geprikkeld door de uitwendige zintuigsferen. De controle over de zintuigen is allesbepalend van hoe wij in de wereld staan. Of we richting vrijheid gaan of vastgeketend blijven aan onze 'wereld'.
De inwendige en uitwendige zintuigsferen zijn geëvolueerd om ideeën en gedachten waar te nemen. Zonder deze zou het onmogelijk zijn te weten wat er in de wereld of in je eigen geest gebeurt. Dientengevolge raakt het contact tussen materie en geest verloren als een van deze om de een of andere reden niet meer functioneert.
Aangezien er zes zintuigen zijn waardoor contact plaats kan vinden, hebben we twaalf sferen waarin ze functioneren. Zes ervan zijn inwendig en zes uitwendig. De basis van het oog, oor, neus, tong, lichaam en de geest bevatten de zes inwendige sferen van de zintuigen. De zes soorten van objecten die hiermee corresponderen worden de uitwendige sferen van de zintuigen genoemd, in die zin dat ze de stimulans verschaffen die hun respectievelijke inwendige sferen prikkelen. Zichtbare vormen komen in contact met de basis van het oog, geluiden met het oor, geuren met de neus, smaken met de tong, voelbare dingen met het lichaam als basis voor contact terwijl gedachten of ideeën in de geest voelbaar zijn. Het resultaat van dit contact tussen de uitwendige en inwendige sferen van elk van de zintuigen is: zien, horen, ruiken, proeven, aanraken en denken. Het zijn deze die ons aan het levensrad binden met zijn onbevredigende vergankelijkheid en zelfzucht. Hierbij zijn inbegrepen ideeën over de ziel of verlangen naar het zelf, afkeer, begoocheling, verwaandheid, rusteloosheid en angst. Zij binden ons niet alleen aan deze wereld, maar ook aan de fijnstoffelijke wereld (rūpāvacara) en de onstoffelijke (arūpāvacara) wereld in een toestand van niet-bevrijding.
Extra aanbevelingen
In M149 — Mahā Saḷāyatanika Sutta — De grote toespraak over de zesvoudige basis, geeft de Boeddha uitgebreide instructies voor deze meditatie.
A03-061 — Titthāyatana Sutta — De basis van dwaalleren, met name de rubrieken De zes zintuigbases en De achttien mentale onderzoeken.
In A04-010 — Yoga Sutta — Banden onderwijst de Boeddha hoe banden ontstaan en hoe ze verbroken kunnen worden.
4. De factoren van verlichting (bojjhaṅga pariggaha)
Aanvullende ondersteuning: zie Sattasambojjhaṅgā — De zeven factoren van verlichting.
Bij de beoefening van meditatie dient men elk van deze factoren van verlichting op de volgende vier manieren te bespiegelen:
- De aanwezigheid van een factor van verlichting (bojjhaṅga) op te merken, wanneer deze in je aanwezig is.
- De afwezigheid van een factor van verlichting op te merken, wanneer deze afwezig is.
- Weten hoe een factor van verlichting ontwikkeld kan worden wanneer deze niet in je aanwezig is.
- Weten hoe een factor van verlichting die in je aanwezig is, verder ontwikkeld kan worden.
Door de zeven factoren van verlichting op deze manier te bespiegelen, is het mogelijk ze verder te ontwikkelen, hetgeen iemand helpt om Nibbāna vast en zeker te verwezenlijken.
5. De vier Edele Waarheden (cattāri ariyasaccāni pariggaha)
Aanvullende ondersteuning: zie Cattāri Ariyasaccāni — De vier Edele Waarheden.
De groep van de Vier Edele Waarheden. Dit houdt in dat men zich de feiten realiseert aangaande de Vier Edele Waarheden (cattāri ariyasaccāni), namelijk: 1. dukkha; 2. samudaya; 3. nirodha; 4. magga.
a. dukkha: de waarheid van lijden. Overeenkomstig de Leer van de Boeddha is de gehele wereld voortdurend in verandering, en daarom vol van lijden. Alles glijdt van ons weg. De Boeddha heeft het pad gewezen om een einde aan dat lijden te maken. Er zijn dertien verschijningsvormen die het bestaan van dat lijden duidelijk zichtbaar maken:
- Geboorte is lijden (jāti).
- Ouderdom is lijden (jara).
- Ziekte (vyādhi) is lijden.
- Dood is lijden (maraṇa).
- Verdriet is lijden (soka).
- Weeklagen is lijden (parideva).
- Lichamelijke pijn is lijden (dukkha).
- Mentale pijn is lijden (domanassa).
- Wanhoop is lijden (upayasa).
- Verenigd zijn met (sampayoga) iets dat men niet lief heeft (appiyehi), is lijden.
- Gescheiden zijn (vippayoga) van iets dat men lief heeft (piyehi).
- Niet krijgen wat men verlangt is lijden (yampicchaṁ nalabhati taṁ pi dukkaṁ).
- Kortom (sankhittena), de vijf groepen van hechten (pañcupādānakkhandhā), zijn lijden.
Lijden kan ook begrepen worden door het te bezien vanuit zeven aspecten, namelijk:
- Lijden ontstaat door de tastbare, gewone, alledaagse pijn (dukkha).
- Lijden ontstaat door het in bestaan komen en vergaan van geconditioneerde toestanden (saṅkhāradukkhata of saṅkhata dukkhatā).
- Lijden ontstaat door verandering (vipariṇāmadukkhatā).
- Lijden ontstaat door lichamelijke en mentale kwalen, waarvan de oorzaken van ontstaan zijn verborgen (paṭicchanna dukkhatā).
- Lijden ontstaat door vele beproevingen en wederwaardigheden, waarvan de oorzaken van ontstaan zichtbaar zijn (appaṭicchanna dukkhatā).
- Lijden ontstaat door actuele pijn (dukkhadukkhatā) (nippariyāya dukkhatā) te voelen, zowel lichamelijk als mentaal.
- Lijden ontstaat door alle andere soorten van pijn dan dukkhadukkhatā (pariyaya dukkhatā).
De opsomming van deze zeven aspecten geeft aan hoe lijden ontstaat. Aldus moet men het lijden op verschillende manieren bespiegelen en het feit in acht nemen dat het een staat is die geconditioneerd is door oorzaak en gevolg. Op deze wijze dient men ernaar te streven om zich de ware natuur van lijden te realiseren. Zie ook dukkha.
b. samudaya: de waarheid van de oorzaak van lijden. Hier wordt de hunkering bedoeld welke de hoofdoorzaak van alle lijden is. Die hunkering is in oorsprong drievoudig: 1. hunkering naar zintuiglijke dingen (kāmataṇhā); 2. hunkering naar continuïteit en worden (bhavataṇhā); 3. hunkering naar het idee dat er geen continuering en worden bestaat (vibhavataṇhā). Deze hunkering of begeerte is verder geclassificeerd in relatie tot de verscheidene zintuigobjecten:
- Begeerte naar vorm (rūpataṇhā).
- Begeerte naar geluid (sadda taṇhā).
- Begeerte naar geur (gandhataṇhā).
- Begeerte naar smaak (rasa taṇhā).
- Begeerte naar tastbare objecten (photthabba taṇhā).
- Begeerte naar mentale objecten (dhammataṇhā).
c. nirodha: de waarheid van de opheffing van lijden. Dit behelst de volmaakte staat van Nibbāna die men bereikt door de uitroeiing van alle bezoedelingen (asava's). Nirodha is tweevoudig, namelijk: het Nibbāna verwezenlijken terwijl men dit leven voortzet (saupādisesanibbāna), en het Nibbāna verwezenlijken op het moment van de dood (anupādisesanibbāna).
d. magga: het pad. Met de term magga wordt het achtvoudige pad bedoeld, welke de enige weg is om Nibbāna te verwezenlijken. Het pad bestaat uit:
- Juist begrip (sammādiṭṭhi).
- Juiste gedachten (sammāsaṅkappa).
- Juist spreken (sammāvāca).
- Juiste handelingen (sammākammanta).
- Juist levensonderhoud (sammājīva).
- Juiste inspanning (sammāvāyāma).
- Juiste indachtigheid (sammāsati).
- Juiste concentratie (sammāsamādhi).
Aanvullende ondersteuning: zie Ariya Aṭṭhaṅgika Magga — Het Edel Achtvoudige Pad.
Elk van deze factoren moet apart genomen en bespiegeld worden en men dient ernaar te streven deze bedachtzaam te beoefenen in het dagelijkse leven. Iemand moet waakzaam zijn omtrent zijn gedachten en ernaar streven om zich van kwade gedachten te verlossen en om goede gedachten op te wekken (sammāsaṅkappa) door de training in juist begrip (sammādiṭṭhi). Vervolgens zal iemand in staat zijn, zijn lichaam, zijn spreken, en zijn denken te bedwingen, en door juiste contemplatie (sammāsamādhi) de geest te richten op de verwezenlijking van Nibbāna.
Extra aanbevelingen
Zie ook de groep pagina Satipaṭṭhāna training.
Op groep pagina's zijn pagina's gebundeld omtrent een cruciaal onderwerp. Deze gebundelde pagina's noemen we sub pagina's. Ze werken gezamenlijk naar de betekenis en het doel van de groep pagina. In opbouwende en eenvoudige bewoording geven ze exact weer wat de Boeddha werkelijk heeft onderwezen.
Eindnoten
[1] Voor het 'juiste pad' zie ariyapuggala.
[2] 'Zeven jaar' is niet letterlijk zeven jaar. In het Pāḷi staat dit voor enkele jaren hetgeen er plusminus zeven kunnen zijn. Het kunnen er dus ook goed vijf of negen zijn. Verderop verklaart hij dat het resultaat zelfs in een week kan worden bereikt.
[3] Voor een belangrijke uitleg wat de Boeddha hier bedoelt, zie saññāvedayitanirodha.
| RegID | FEpnd0Vxf3uWNby |
|---|---|
| Bijgewerkt | 6 februari 2026 20:43:43 |
| Auteur | Peter van Loosbroek — Ānanda |
| Locatie | www.sleuteltotinzicht.nl |
| Copyright | Zie a.u.b. copyright www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm |
| Overig | Geen |
