Wat is conditionering?
Wie het afhankelijk ontstaan begrijpt, begrijpt de Dhamma; wie de Dhamma begrijpt, begrijpt het afhankelijk ontstaan.
Alle belangrijke aspecten bij elkaar
Deze pagina is uitgebreid. Die uitgebreidheid is bedoeld om alle belangrijke aspecten op één locatie te centreren. Dit biedt gebruiksgemak voor als je op een later moment nog eens wilt terugblikken. Dan hoef je niet tal van pagina's te bezoeken om een goed inzicht te krijgen in dit onderwerp.
Inhoudsopgave
Zoals ook een plant in het bestaan komt
Elke vorm van bestaan is geconditioneerd
Afhankelijkheid of onafhankelijkheid van voorwaardelijke condities
Het zien en begrijpen van oorzaken en gevolgen
Waar het oude is kan het nieuwe niet zijn
Onafhankelijkheid en zelfvertrouwen
Specifieke oftewel belangrijkste formaties
Bewustzijn en de persoonlijke wereld
Bewustzijn houdt alles bij elkaar
De uitblussing van de persoonlijke wereld
Begeerte en onwetendheid gaan altijd samen
Het ongeconditioneerde bereikt
Tip De pagina Het kardinale startpunt voor alle goede dingen is een goede voorbereiding op deze pagina.
Inleiding
Begrijpen wat conditionering werkelijk is, is allesbepalend voor in welke richting, welke weg je begaat: de weg van het geconditioneerde (sankhata) of de weg van het ongeconditioneerde (asankhata). Het maakt het verschil tussen slavernij en de volledige bevrijding ervan.
De Boeddha verwoord conditionering middels 'de wet van het voorwaardelijk ontstaan', ook wel 'de wet van het afhankelijk ontstaan' genoemd. De Pali term is paticcasamuppada. Inzicht hierin is cruciaal om de kern van de boeddhistische Leer te doorgronden.
Elk ding (dhamma), elke gebeurtenis, elke ervaring, elke belevenis, is een 'conditie', een toestand. Dit kan verwijzen naar zowel je eigen interne wereld als de wereld om je heen (extern).
Beide werelden bestaan binnen het bewustzijn (viññana), niet daarbuiten; ze bestaan er niet los van. Wanneer je jezelf afhankelijk (nissito) opstelt in de zin van mentaal vastgrijpen, wordt een toestand vanwege die afhankelijkheid (nissito) een voorwaardelijke conditie (paccaya) van hoe je mentaal ontwikkelt. Vandaar gesproken wordt over 'het afhankelijk ontstaan' of 'het voorwaardelijk ontstaan' (paticcasamuppada). Dit behelst onze eigen conditionering wat we hier uitgebreid zullen behandelen.
Een 'voorwaardelijke conditie' is het 'conditionerende ding', iets waar iets anders (het zogeheten 'geconditioneerde ding') afhankelijk van is; het 'geconditioneerde ding' kan dus zonder die voorwaarde (het 'conditionerende ding') niet bestaan.
Als we niet zeer indachtig (sati) zijn, zullen we onszelf onbewust beetje bij beetje steeds afhankelijker maken van diverse condities. Want wanneer we niet indachtig zijn is er geen onderzoek naar realiteit (dhamma vicaya). Als gevolg daarvan kunnen we geen waardevolle kennis opdoen, begrijpen we niet de ware aard van dingen, begrijpen we niet wat lijden (dukkha) werkelijk is. Als we niet aandachtig (avajjana) zijn kunnen we niet echt zien (passati) en daarom ook niet echt begrijpen (sampajañña) wat er zich in en om ons afspeelt, hoe en waarom dingen en toestanden ontstaan (uppajjati). Dan blijven we vanwege het mentaal vastgrijpen (dat altijd gepaard gaat met onwetendheid) gevangenen van onze eigen gecreëerde wereld van persoonlijkheid (sakkāyapariyāpanna) en daarom aan lijden gebonden.
De wet van het voorwaardelijk ontstaan kent twee richtingen dat kortgezegd hier op neerkomt:
Toename Door vastgrijpen (upādā) en onwetendheid (avijja) neemt lijden toe (anuloma).
Afname Door loslaten (anupādā) en wijsheid (pañña) neemt lijden af (patiloma).
De training in waakzaamheid (appamada) en indachtigheid (sati) leidt tot een diep inzicht in hoe dingen zijn (yathabhuta), tot wijsheid (pañña). Hierdoor leren we zien en begrijpen hoe dingen steeds afhankelijk van andere dingen ontstaan. We leren hun onderlinge samenhang begrijpen en daardoor hoe de toestand van het ene ding afhankelijk is van de toestand van een ander ding. Anders gezegd: hoe dingen conditioneren.
Er zijn veel soorten 'deskundigen' in de wereld die zich als taak stellen het lijden van mensen te doen ophouden. Maar zij zijn enkel en alleen gefixeerd op gevolgen. Hier schijnt het licht van de Dhamma niet. Een gevolg is een symptoom van een oorzaak en een oorzaak is een gevolg van een andere oorzaak. Hier wordt een belangrijke kern gemist.
Degenen die echt deskundig zijn hieromtrent, is de Boeddha en zijn arahat-discipelen. Hier schijnt het licht van de Dhamma.
Omdat alle dingen meerdere oorzaken hebben, is elk ding een samenstelling van meerdere dingen. Dit betekent dat elk fenomeen aangemerkt kan worden als een 'formatie van samengestelde dingen', d.w.z. een sankhara. Binnen de sankhara's bestaat er echter wel een onderscheid.
Wanneer je datgene wat je waarneemt vastgrijpt (upādāya), ontstaan (uppajjati) er gevoelens, ideeën en allerlei mentale associaties. Zo breiden dingen zich uit, zo nemen dingen toe (papañca), zo worden ze geconditioneerd.
Sankhara is een initiële oftewel aanvankelijke aanduiding voor alle samengestelde dingen, verschijnselen (dhamma's). Al die dingen zijn zo vergankelijk en leeg als een luchtbel. Een luchtbel kun je niet hebben. Wie de ware weg van boeddhistische meditatie beoefent, is dan ook nergens naar op zoek, grijpt zich nergens aan vast, aan wat dan ook.
Omdat alle samengestelde dingen de aard van opkomen en vergaan in zich dragen moeten alle dingen vergaan. Het ware licht van inzicht openbaart dat oorzaken en gevolgen een vicieuze cirkel is waardoor het lijden — vanwege een afhankelijkheid ervan — in stand gehouden wordt. Elke oorzaak is een gevolg van andere oorzaken. Het meest verheven begrip is het zien en begrijpen van de hoofdoorzaak van lijden die alleen in onszelf (intern) ontdekt kan worden. Door de toestand van onze eigen geest te beschouwen (cittanupassana) leren we zien hoe dingen daar ontstaan, opkomen (uppajjati). Veel mensen houden er allerlei zelfverzonnen technieken op na en noemen dat de boeddhistische meditatie. Maar wie de woorden van de Boeddha echt begrepen heeft, weet dat het allemaal draait om aandacht (avajjana) schenken. Want alleen door aandachtig te zijn kunnen we echt zien en begrijpen waar en hoe dingen in het bestaan komen en wat dat betekent. Dit is essentieel omdat de geest de voorloper (manopubbangama) is van alle dingen (dhamma's).
Uit de Dhammapada:
278. Wanneer met wijsheid het lijden van samengestelde dingen wordt gezien, krijgt men genoeg van dit lijden. Dit is het pad naar zuiverheid.
sabbe sankhara dukkha'ti yada paññaya passati atha nibbindati dukkhe esa maggo vishuddhiya
Omdat alles draait om waakzaamheid (appamadena), een herinnering aan de laatste woorden van de Boeddha. Bekijk ook appamada.
Handa dani bhikkhave amantayami vo: vayadhamma sankhara, appamadena sampadetha.
Welnu, monniken, ik spoor jullie aan: alle samengestelde dingen moeten weer vergaan. Bewerkstellig vastbesloten door waakzaamheid jullie eigen bevrijding.
D16 — Maha Parinibbana Sutta — Het grote heengaan
Zoals ook een plant in het bestaan komt
Zoals alle dingen die in het bestaan zijn gekomen, draagt ook een plant zowel de eigenschap van opkomen (uppada) als van vergaan (vaya) in zich. Een plant kan een mooie, geurige bloem produceren. Maar na verloop van tijd verwelkt de bloem en zal zijn geur verdwijnen. Zo vergaat het met alle dingen (dhamma's) die in het bestaan zijn gekomen. Want wat de aard van opkomen in zich heeft, heeft ook de aard van vergaan in zich.
Een plant kan alleen groeien als er de voorwaardelijke condities (ingrediënten, toestanden) voor aanwezig zijn. Zo heeft hij grond, licht en water nodig. Dit is allemaal voeding (ahara) die de plant nodig heeft om te groeien. Zonder deze voeding — die de basis vormt voor de voorwaardelijke condities (paccaya) — is zijn groei niet mogelijk. De plant kan dus alleen in het bestaan komen als de voorwaardelijke condities hiervoor aanwezig zijn. De groei van de plant is hier afhankelijk van. Zonder die afhankelijkheid kan de plant niet groeien, en zelfs niet in het bestaan komen.
Elk moment binnen het groeiproces van de plant zijn er diverse voorwaardelijke condities. Afhankelijk hiervan is er een ontstaan, een tevoorschijn komen. Elk moment is een moment waarop er iets wordt geboren. Dit heet uppajjati (of upapajjati) oftewel het in het bestaan komen (bhava).
Als er geen voeding is, ontstaan er geen voorwaardelijke condities en kan iets niet opkomen, niet tevoorschijn komen. Dan houdt het geboren worden ervan, het in het bestaan komen ervan, op. Dit heet nuppajjati.
Het voortdurende geboren worden, het voortdurende in het bestaan komen in dit voorbeeld van de plant, is een toestand die steeds verandert (sankhatalakkhanani). Ook dat gebeurt afhankelijk van de voorwaardelijke condities.
Het voortdurende 'geboren worden' in dit voorbeeld is een proces van worden, hoe de plant groeit, hoe hij tot ontwikkeling komt. Echter, in een plant is wel leven, maar geen bewustzijn (viññana) zoals in wezens. Een plant kan daarom geen keuze (cetana) maken hoe hij met toestanden omgaat. Hij is volledig overgeleverd aan de voorwaarden die er zijn. Daarentegen passen planten zich gedurende het evolutionaire proces over een langere periode wel aan.
Omdat een wezen wel over bewustzijn beschikt, kan een wezen daarentegen wel een keuze (cetana) maken. En precies zoals in een plant, vindt er in een wezen ook een voortdurend opkomen (uppajjati) van 'dingen' oftewel formaties (sankhara) plaats. Afhankelijk van onwetendheid (avijja) wordt er steeds iets gecreëerd, iets bijgemaakt, nemen dingen toe (papañca). Iemand die bijvoorbeeld luistert met ideeën, creëert een wereld die onwerkelijk is, een persoonlijke wereld (sakkāyapariyāpanna).
Er zijn diverse factoren die bepalend kunnen zijn hoe je met een bepaalde toestand omgaat, wat je ermee doet.
Met alles verweven
Aan de ene kant is het zien van de wet van het voorwaardelijk ontstaan (paticcasamuppada) eenvoudig. Maar deze eenvoud geldt alleen voor mensen met een eenvoudige geest, een geest die tot eenheid (ekaggata) is gebracht. De tot eenheid gebrachte geest kan 'alles in alles' zien: de volledige samenhang van alle oorzaken en gevolgen, inclusief de hoofdoorzaak. Daarom is deze wet, oftewel de Dhamma, diepgaand en alleen te begrijpen door de wijzen (paṇḍitavedaniya).
Wie de Dhamma ziet kan de hele wereld in een waterdruppel zien. Incusief alle sferen (avacara).
Aan de andere kant is het zien van deze wet moeilijk. Dat is omdat deze wet zich voordoet in alle aspecten. Het omvat zelfs een gehele wereld, het gehele bestaan. Het doordringt alles, het is met alles verweven. De geest die niet tot eenheid is gebracht, is verdeeld, ziet alles in afzonderlijke delen omdat aandacht versnipperd is, ziet geen samenhang van oorzaken en gevolgen. Omdat hij niet tot eenheid (ekaggata) is gebracht, is hij niet kalm (samatha). Omdat hij niet kalm is blijft hij steeds creëren, er iets bij maken (papañca) waardoor hij vol raakt en daardoor moeite heeft om te begrijpen (sampajañña).
Voor de meesten is het heel makkelijk om moeilijk te doen,
maar heel moeilijk om eenvoudig te zijn.
Peter van Loosbroek — Ananda, auteur van sleuteltotinzicht.nl.
Dit betekent niet dat de Dhamma alleen voor wijze mensen is zoals vaak gesteld wordt door mensen die er niets van begrepen hebben. Inzicht moet ontwikkeld worden (bhavetatabbam) en daarom is de Dhamma voor iedereen die gewillig is om te leren. Echter, de Boeddha is 'de trainer van mensen die te beteugelen zijn' (purisadammasarathi). De Dhamma heeft alleen effect wanneer iemand de theorie (pariyatti) leert én de Dhamma in praktijk (patipatti) brengt. Dit is iemand die te beteugelen is.
Wanneer je ontdekt (passati) wat het nadeel van afhankelijkheid (nissito) precies inhoudt en je die afhankelijkheid in jezelf (ajjhatta) ziet, zul je ook ontdekken wat het voordeel van onafhankelijkheid (anissito) is. Hierdoor daagt het besef dat alleen jijzelf je afhankelijkheid teniet kunt doen waardoor je werkelijk vrij (vimutti) kunt zijn. Hoewel je op dat moment nog niet vrij bent, ben je al heel gelukkig door alleen al te zien en te begrijpen dat je in werkelijkheid helemaal van niemand en niets afhankelijk bent. Het is juist de onafhankelijkheid dat een voorwaarde is om het allerhoogste doel te bereiken: het ongeconditioneerde Nibbana. Het doel op zich is er al, maar het bereiken ervan wordt geblokkeerd door hechten, door jezelf afhankelijk op te stellen.
Daarom is de Dhamma voor alle mensen die gewillig zijn te leren. Omdat die onafhankelijkheid ontwikkeld moet worden (bhavetatabbam), is er een weg die bewandeld moet worden. Die weg is de enige weg (ekayana) voor het afwerpen van alle banden die je aan slavernij binden.
"Diepgaand, Ananda, is dit voorwaardelijk ontstaan, en diepgaand doet het zich voor. Het is door het niet begrijpen, het niet doorgronden van deze wet, dat deze wereld lijkt op een verwarde bol van draden, een bedekt vogelnest, een struikgewas van zegge of riet. Hierdoor ontsnapt de mens niet uit de lagere staten van het bestaan, uit de koers van weeklagen en verdriet, van lijden vanwege de ronden van wedergeboorten."
D15 — Maha Nidana Sutta — De grote toespraak over de oorzakelijkheid
Sariputta in M028:
"Wie het afhankelijk ontstaan begrijpt, begrijpt de Dhamma; wie de Dhamma begrijpt, begrijpt het afhankelijk ontstaan."
Zelfidentificatie
Als we onszelf identificeren met toestanden, of het nu interne of externe toestanden zijn, is er sprake van zelfidentificatie. Eenvoudig gezegd betekent dit dat we er dan 'iets mee doen'. Belangrijk te weten is dat dit een verstoring (iñjita) is vanwege de tussenkomst van 'ik'. Dit is wat inzicht in de diepe realiteit (paramattha sacca) blokkeert en zelfs verdraait (vipallāsa). Een diep inzicht in de realiteit (sacca) is een vereiste voor totale bevrijding (vimutti).
Het 'er iets mee doen', het 'oppakken' (upādāya) betekent dat we er voeding (ahara) aan geven zodat het kan groeien, kan toenemen (papañca), kan aandikken, kan intensiveren. Dit is kortgezegd hoe we onszelf afhankelijk maken van dingen en mensen en hoe onze persoonlijke wereld in het bestaan komt.
Vanwege die afhankelijkheid (nissito) — die door het mentaal vastgrijpen wordt veroorzaakt — kunnen we niet vrij zijn en laten we zelf die toestanden de voorwaarden (paccaya) zijn van hoe we ontwikkelen, waarnaar we toe afbuigen, wat onze bestemming zal zijn, hoe en wat we zullen zijn. Dit heet worden (bhava) oftewel 'in het bestaan komen'. Wil je zijn of wil je doorgaan met worden? In zijn is de ware natuur bereikt, de grote taak volbracht (katam karniyam), maar in worden komt nooit een einde, en daarom ook niet aan lijden (dukkha). Het is allemaal de zelfidentificatie die hier de oorzaak van (sakkāyasamudaya) is. Een beroemde uitspraak van de Boeddha is de volgende:
Netaṁ mama, nesohamasmi, na meso attā'ti.
Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn ware natuur.
S22-059 — Anatta Lakkhana Sutta — De kenmerken van niet-zelf
Het ware boeddhisme draait steeds om zelfoverwinning. En het is hierom dat de Boeddha na elk van de meditatie onderwerpen in de satipatthana training deze instructie herhaalt:
"(...) en hij verblijft (viharati) onafhankelijk (anissito) en grijpt zich nergens in de wereld aan vast."
D22 — Maha Satipatthana Sutta — De grote toespraak over de vier fundamenten van indachtigheid
Mentale stabiliteit
Het leven is dynamisch en daarom vol veranderingen (viparinama). Als we mentaal vastgrijpen (upādāya) kunnen we niet meeveranderen op de stroom van het leven dat altijd dynamisch is. Dan zijn we kwetsbaar (yathākāmakaraṇīya).
De gewone mensen hebben de neiging verstoord te raken bij de veranderende wisselvalligheden van het leven. Wanneer er iets verkeerd gaat, zijn ze terneergeslagen, depressief. Wanneer het goed gaat, zijn ze opgetogen. Maar de wijzen zijn onverstoorbaar (aneñja), wat er ook gebeurt.
Er is geen enkele toestand die de geest van de arahat kan doen wankelen; geen enkele toestand die hem verstoord (iñjita) of in beslag neemt. De arahat heeft afgerekend met alle begeerten en grijpt zich nergens in de wereld aan vast, zowel extern als intern. Hij is mentaal volkomen onafhankelijk (anissito). Daarom kan hij werkelijk vrij zijn van alles wat er zich voordoet. Dit is zo, omdat hij het ongeconditioneerde (asankhata) heeft bereikt, de grote taak waar alle mensen uiteindelijk voor staan. Alle mensen hebben dit potentieel in zich. Wat ervoor nodig is, is het in praktijk brengen (patipatti) van de ware Leer.
In vers Dhp081 van de Dhammapada wordt de arahat vergeleken met een grote rots die opgewassen is tegen de hardste windstoten.
In A08-006 legt de Boeddha het bijzondere onderscheid hieromtrent uit tussen de geïnstrueerde (sutava) edele discipel (ariyasavaka) en de niet-geïnstrueerde (assutava) wereldling (puthujjana).
Uit de Dhammapada:
081. Zoals een grote rots niet beweegt door de wind, zo blijven de wijzen onwrikbaar door zowel lof als kritiek.
selo yatha ekaghano vatena na samirati evam ninda pasamsasu na saminjanti paṇḍita
Ontwaken
Alle dingen hebben de eigenschap van opkomen (uppada) en vergaan (vaya) in zich. Alle dingen (dhamma's), inclusief de geest (mano) en daarom ook de staat van de geest (citta) zelf, veranderen voortdurend (thitassa aññatattam). Het is dit dat we niet voldoende in Het hart begrijpen waardoor we vaak reageren op dingen, onszelf erdoor laten meevoeren, misleiden, onszelf erdoor in beslag laten nemen.
Het kunnen dingen zijn die zowel aangenaam als onaangenaam zijn. En met 'dingen' bedoel ik ook 'mensen'. In de boeddhistische Leer staat 'dingen' namelijk voor alle verschijningsvormen (dhamma's). We kunnen onbewust mentaal gehecht (upadana) raken aan dingen en daarom kunnen we er niet vrij van zijn. Het mentaal niet volkomen vrij zijn is hetgeen we een toestand van lijden (dukkha) noemen. Wat goed begrepen moet worden, is dat het niet de dingen zijn die lijden veroorzaken, maar het hechten eraan. Dit houdt een onderwerping in. Het is vanwege een mentale slaap waardoor latente neigingen (anusaya) — die in de diepe lagen van de geest zijn geworteld — in stand worden gehouden. Het vereist daarom veel aandacht (avajjana) om ze te zien. Door ze te zien worden ze 'uitgerukt'. Jij hoeft hier niets voor te doen dan louter aandacht te schenken. Het is aandacht dat het werk zal doen. Precies zoals wanneer je een probleem ziet, het probleem zich vanzelf oplost.
Lees ook eens de methode die cruciaal is in inzicht meditatie: Wees altijd als een passieve toeschouwer.
Maar door de latente neigingen niet te zien, zullen ze de geest steeds blijven verontreinigen en beïnvloeden (asava). Iemand die nalatig (pamada) is in indachtigheid, kan volledig verloren raken. Dit wordt door veel mensen onderschat, vooral wanneer de wet van oorzaak en gevolg niet gezien wordt. Dan wordt niet begrepen dat na de dood het bewustzijn gewoon doorgaat[1]. Maar waar iemand zich mee bezigt, daar buigt de geest naar toe af. D.w.z. dat bewustzijn, nadat het lichaam is afgeworpen, gewoon doorgaat om in het bestaan te komen (en daar in te blijven). Dit is hoe conditionering werkt en blijft continueren. En de wereld waarin de persoon verschijnt, bij een nalatigheid (pamada) in indachtigheid (sati) / waakzaamheid (appamada), wordt dan steeds donkerder, om het eenvoudig te zeggen. Een standaard canonieke tekst is bijvoorbeeld deze:
Toen zij zaten, spraken zij tot de Gezegende: "Meester Gotama, wat is de oorzaak en de voorwaarde waarom sommige wezens hier (idha), bij de ontbinding van het lichaam, na de dood, worden wedergeboren (uppajjati) in de staten van ontbering (apaya), op een ongelukkige bestemming (duggati), in verdoemenis (vinipata), of zelfs in de hel (niraya)? En wat is de oorzaak en de voorwaarde waarom sommige wezens hier, bij de ontbinding van het lichaam, na de dood, worden wedergeboren (uppajjati) op een gelukkige bestemming (suggati), of zelfs in een hemelse wereld (deva loka)"?
Wat ook goed begrepen moet worden, is dat elke vorm van bestaan — zoals eerder aangegeven — de eigenschappen opkomen (uppada) en vergaan (vaya) in zich draagt. Ongeacht het een hemelse- of een hellewereld betreft. Al die sferen zijn afhankelijk van een voorwaarde geconditioneerd. Dit is conditionering en daarom impliceert elke sfeer lijden (dukkha). Het is het wakker worden (bujjhati) uit de mentale slaap dat elke afhankelijkheid opheft en daarmee het lijden wordt opgeheven. Alleen wanneer we ons nergens meer afhankelijk (nissito) van maken, door onafhankelijk (anissito) te zijn, komt er niets meer in het bestaan en kunnen we waarlijk volkomen vrij zijn. Dit is mogelijke voor iedereen die gewillig is alle hebzucht (tanha) op te geven en de juiste inspanning (padhana) te leveren. Maar zoals gezegd kan iemand ook volledig verloren raken vanwege zintuiglijke toegeeflijkheid (kama) en onachtzaamheid (pamada). Neem daarom de waarschuwing (anusasana) van de Boeddha serieus! Als je goed bent voor jezelf, neem je dit advies ter harte. Goede mensen beminnen goed advies. Wees je eigen beschermer (nātha)!
Ook de Boeddha, toen hij nog een onverlichte Bodhisatta was, verkeerde in een mentale slaap. Maar vanaf het moment van zijn verlichting, was hij daaruit ontwaakt (bujjhati). Het Pali woord Buddha betekent 'verlichting'; 'verlicht', en is het voltooid deelwoord van bujjhati wat 'wakker worden' betekent. Hij zei dan ook (o.a. in D16) dat het zowel voor hem als voor de monniken, het niet begrijpen was, oftewel onwetendheid (avijja), waardoor zij zolang moesten rondzwerven in deze cyclus van geboorte en dood (samsara).
Elke vorm van bestaan is geconditioneerd
Waar het dus in het boeddhisme om gaat, is om vrij te zijn van alles wat er is. De voorwaarde hiervoor is om tot een diep en helder begrip (sampajañña) te komen. Het is een begrip dat een alles doordringend inzicht (pativedha) geeft in alle toestanden, in alle dingen, altijd en overal.
Zo begrijpen de meeste mensen niet dat het bestaan op zich, zelfs in hemelse sferen — in diepe realiteit (paramattha sacca) beschouwd — een toestand van lijden (dukkha) is. Want dit inzicht verrijst alleen nadat de geest zich heeft ontdaan van alle bezoedelingen (asava) die de werkelijkheid verdraaien (vipallāsa).
724. "Er zijn mensen die niet begrijpen wat lijden is. Zij weten niet waar het vandaan komt, waar het volledig ophoudt, en zij kennen het Pad niet, de manier om het lijden te doen ophouden."
725. "Dus, in hun geringe kennis omtrent het bevrijden van de geest (ceto vimutti) en (daarom) geen bevrijding kunnen verwerven door wijsheid (pañña vimutti), zijn zij niet in staat een einde aan lijden te maken. Zij gaan alsmaar door met geboren worden en tot ouderdom komen."
Snp3-12 — Dvayatanupassana Sutta — Tweevoudige bespiegeling
Afhankelijkheid of onafhankelijkheid van voorwaardelijke condities
Het begrijpen van de vier Edele Waarheden (zie sacca) is het ultieme begrip. Wanneer er een doordringend inzicht is in wat lijden (dukkha) is, begrijp je alle vier de waarheden in één moment. Het mooie hiervan is, dat je dan elk verschijnsel middels een doordringend inzicht (pativedha) meteen begrijpt voor wat het is. Dit betekent dan ook, dat je jezelf door geen enkel ding of toestand laat beïnvloeden (asava) of misleiden (Mara). Dan kijk je als het ware 'door dingen heen'. Doordringend inzicht betekent ook dat je niet alleen oorzaken en gevolgen duidelijk ziet en begrijpt, maar ook de hoofdoorzaak van het gehele proces. Dit is inzicht hebben in 'de wet van oorzaak en gevolg' oftewel 'de wet van het afhankelijk ontstaan' of 'voorwaardelijk ontstaan' (paticcasamuppada).
In voorwaartse richting (anuloma) — d.w.z. afhankelijk (nissito) van — is elke conditie (toestand) een voorwaardelijke conditie (paccaya) voor het ontstaan (uppajjati) van elke toestand die erop volgt. De afhankelijkheid is de oorzaak (samudaya) waardoor lijden toeneemt. Dat is zo omdat in afhankelijkheid geen vrijheid (vimutti) kan bestaan, je er dan niet vrij van kunt zijn.
Elke toestand is geconditioneerd, zo geworden (bhava), afhankelijk van een andere toestand. Waar er ook een vastgrijpen (upādā) is, daar is een afhankelijkheid van een toestand. Dit is conditionering. Dit is het geconditioneerde (sankhata). Dit is geen bevrijding, maar het veroorzaken van lijden.
In achterwaartse richting (patiloma) — d.w.z. onafhankelijk (anissito) van een conditie (toestand) — is er geen ontstaan (nuppajjati) van een andere conditie. De onafhankelijkheid is de opheffing (nirodha) waardoor lijden afneemt. Dat is zo omdat in onafhankelijkheid vrijheid (vimutti) bestaat, je er dan vrij van kunt zijn.
Elke toestand is geconditioneerd, zo geworden (bhava), afhankelijk van een andere toestand. Waar geen vastgrijpen (anupādā) is, daar is geen afhankelijkheid van een toestand. Dit is het einde van conditionering. Dit is het ongeconditioneerde (asankhata). Dit is bevrijding, de opheffing van alle lijden.
Wanneer dit er is, ontstaat dat. Wanneer dit er niet is, kan dat niet ontstaan.
Iets kan alleen ontstaan uit iets anders als er een afhankelijkheid is.
Wanneer die afhankelijkheid van iets er niet is, kan daar niets uit ontstaan.
Peter van Loosbroek — Ananda, auteur van sleuteltotinzicht.nl.
Het zien en begrijpen van oorzaken en gevolgen
De Boeddha verwierf op 35 jarige leeftijd de verlichting en stierf op 80 jarige leeftijd. De wet van oorzakelijkheid omringt de kern van de boeddhistische Leer. En in al die 45 jaren dat de Boeddha de Dhamma verkondigde, weergalmt deze wet op verschillende manieren door vele toespraken die hij heeft gepredikt heen.
De basisformule van deze wet (paticcasamuppada) bestaat uit twaalf schakels (nidana's) die elk een conditie vertegenwoordigen en met andere condities verweven zijn. Want alle dingen hebben meerdere oorzaken. De Boeddha leert dat dingen uit elkaar voortkomen en dat er geen allereerste begin van dingen is. Deze twaalf schakels (nidana's) waaruit deze uiteenzetting (desanā) bestaat, zijn dan ook geen afzonderlijk op zichzelf staande dingen, maar allemaal oorzakelijke condities van elkaar. Ze ontstaan en verdwijnen ook niet in de volgorde waarop ze in de basisformule verschijnen.
De basisformule is een chronologische, conventionele beschrijving (vohāradesanā) zodat deze wet van het oorzakelijk ontstaan van dingen in eerste instantie conceptueel (anubodha ñana) kan worden begrepen. Maar theorie (pariyatti) en praktijk (patipatti) dienen elkaar aan te vullen en in balans te zijn. Door beoefening doe je eigen ervaring (veditabba) op waardoor een doordringende kennis (pativedha ñana) ontstaat oftewel inzicht (vipassana).
Het licht van wijsheid zal openbaren hoe lijden, bij een afhankelijkheid (nissito) (vastgrijpen (upādā)) toeneemt (anuloma) en hoe het bij een onafhankelijkheid (anissito) (niet vastgrijpen (anupādā)) afneemt (patiloma). Op elk moment begrijp je oorzaken en gevolgen, de samenhang van dingen, het totale gebeuren. Dat is omdat de geest niet gefixeerd is op een punt, maar door de juiste beoefening van meditatie tot eenheid (ekaggata) is gebracht. Neem De basis van meditatie goed door.
Het is aandacht (avajjana) dat op een ongedwongen en natuurlijke manier voor een diep begrijpen (sampajañña) zorgt. En begrijpen zorgt voor de beëindiging van een vicieuze cirkel, de cyclus van samsara oftewel hoe dingen, toestanden, afhankelijk van iets anders in het bestaan komen (uppajjati). Om te begrijpen wat conditionering is, is het niet noodzakelijk om te begrijpen dat je reeds vele levens aan lijden gebonden bent. Wat echter wel essentieel is, is dat wanneer je een toestand niet begrijpt, deze toestand tot lijden strekt. Dit is al te ontdekken (passati) in de kleine dingen in het leven: als je een probleem niet begrijpt, is dat een last. Maar als je het probleem of toestand begrijpt, lost het probleem zich op, stap je eruit. Het is het licht van inzicht waardoor de last als vanzelf wordt afgeworpen, zonder de tussenkomst van 'ik'. Het licht van inzicht werkt op alle fronten, altijd en overal.
Praktijkervaring is essentieel
Naarmate je de Dhamma in praktijk brengt (patipatti) wordt de theorie (pariyatti) — het conceptuele (anubodha ñana) begrip dat beperkt is — omgezet in een diep en doordringend begrijpen (pativedha) omdat door de eigen ervaring (veditabba) het hart (bala) tot ontwikkeling komt.
Wanneer er geen praktijkervaring is en alleen een conceptueel begrijpen, moet je bij heel veel dingen opnieuw gaan nadenken waardoor het hoofd overvol raakt. Daarbij raakt de geest extra vol wanneer er geen juiste visie is. Want dan denk je na waar niet over nagedacht moet worden. Hierdoor nemen gedachten toe (papañca) en wordt het een ballast (upadhi) voor je. Je begrip wordt er steeds minder op. Je kunt zelfs het spoor helemaal bijster raken. Theorie en praktijk moeten in balans zijn. D.w.z. met de eenvoudige meditaties beginnen (zie De basis van meditatie) zodat de geest kalmer (samatha) wordt en met stapjes meer over de Dhamma leren.
Als het hart door eigen ervaring ontwikkeld is, is intuïtief inzicht beschikbaar, een direct begrijpen zonder de tussenkomt van het hoofd. Het echte inzicht waar het om draait is geen zaak van het hoofd, maar van het hart (bala). Een lege geest kan bevatten omdat hij kalm (samatha) is. Een volle geest is rusteloos en raakt overspannen.
Wanneer het hart (bala) is ontwikkeld ziet het direct, overal en altijd, een diepe waarheid, namelijk dat alle dingen vergankelijk (anicca) zijn, dat ze in de kern lijden (dukkha) zijn en geen werkelijkheidswaarde (anatta) in zich hebben. Dit is van een dermate doorslaggevende aard, dat het als een bescherming (sanātha) dient tegen alle gevaren (adinava) en je daardoor veilig (khemam) bent.
Dan grijp je jezelf nergens aan vast, blijf je er niet in zitten. Dit is wat verzaking (nekkhamma) heet. Dit is uit de vicieuze cirkel stappen wat een einde aan lijden betekent. De sleutelrol hierin is aandacht (avajjana). Want door aandacht gaan we echt zien, en door echt te zien gaan we helder begrijpen (sampajañña). Een probleem lost zich op door het begrijpen van het probleem, maar door het niet begrijpen stapelen problemen zich op.
Elk fenomeen, elk verschijnsel is een toestand, een conditie. Laat geen enkele toestand de voorwaarde (paccaya) zijn je vrijheid te ontnemen. Want het hechten aan wat dan ook leidt tot worden (bhava) zodat je niet kunt zijn en je het doel — Nibbana — mist. Het vrij zijn van elke conditie leidt tot het doordringende begrip dat hiervoor nodig is. Dit is waarom de Boeddha voortdurend waarschuwde en zijn monniken tot in zijn laatst ademtocht zijn monniken aanspoorde om waakzaam (appamada) te zijn. Houd deze cruciale instructie van de Boeddha goed in gedachten en neem geen zelfverzonnen technieken of methodes van mensen aan die er niets van begrepen hebben. Wees altijd heel serieus in het lezen van wat de Boeddha hieromtrent werkelijk heeft onderwezen. Wees kritisch, wees onderzoekend, wees waakzaam en zorgvuldig (appamada).
De Boeddha stierf op 80 jarige leeftijd. Zijn laatste woorden reflecteren de kern van zijn Leer (appamada).
Handa dani bhikkhave amantayami vo: vayadhamma sankhara, appamadena sampadetha.
Welnu, monniken, ik spoor jullie aan: alle samengestelde dingen moeten weer vergaan. Bewerkstellig vastbesloten door waakzaamheid jullie eigen bevrijding.
D16 — Maha Parinibbana Sutta — Het grote heengaan
De rivier
De rivier
We kunnen onszelf niet ontwikkelen als we vasthouden aan het oude, want waar het oude is daar kan het nieuwe niet zijn. Bewustzijn (viññana) moet daarom kunnen stromen zodat oude ervaringen, inzichten etc. kunnen worden 'afgevoerd' en bewustzijn kan worden vernieuwd. Zo kan bewustzijn worden getransformeerd in helder objectief gewaarzijn (sampajañña). Dit is de functie van bewustzijn.
De stroom van bewustzijn kan worden vergeleken met het stromen van een rivier. De rivier begint als een smal en ondiep stroompje, ergens op een berg. Naarmate de rivier breder en dieper wordt, wordt hij volwassener. En als hij eenmaal de zee bereikt heeft, is hij tot volle wasdom gekomen en houdt hij op te stromen.
Zo is de onontwikkelde geest (amahaggata citta) eveneens eerst smal en ondiep. Maar als hij net zoals een rivier vrijelijk en ondwangmatig stroomt, zonder getrek en geduw, zonder plannenmakerij en gekunsteldheid, kan hij op een natuurlijke en ongekunstelde manier gestaag breder en dieper worden en uiteindelijk de eindbestemming bereiken.
Naarmate de geest breder en dieper wordt, wordt hij wijzer. Sluiers van bezoedelingen die voorheen vele zaken bedekten, zullen op een natuurlijke wijze verdwijnen. De geest zal steeds helderder worden en gaan stralen omdat zijn ware natuur 'bloot komt te liggen'.
Aan het einde van de reis, als al het werk erop zit, als de taak volbracht is (katam karniyam), houdt bewustzijn op te stromen omdat dan het ongeconditioneerde (asankhata) is gerealiseerd. Dan heeft bewustzijn haar functie volledig volbracht, namelijk om helder objectief gewaar (sampajañña) te zijn. Hier is de mens oftewel het hart, tot volle wasdom (gotrabhu) gekomen. Dit kan je zien als de uitblussing (nirodha) van bewustzijn. Het is het ophouden, de uitblussing van elk idee van 'ik', 'mij', 'mijn'; de uitblussing van zelfidentificatie (sakkāyanirodha). Dit kan enkel en alleen volbracht worden door niets vast te grijpen (anupādāya). Door hartstochtloosheid (viraga).
Waar het oude is kan het nieuwe niet zijn
Waarneming bouwt een herinnering (anussarati) op. En bewustzijn (viññana) dat nodig is om te kunnen waarnemen, heeft de neiging te kleven (visattika). Dit wil zeggen dat we snel vastgrijpen, snel geneigd zijn bij oude ervaringen te blijven, bij oude toestanden te blijven hetgeen als een ballast (upadhi) voor de geest is. Ook dit is conditionering.
Hoe minder aandachtig we zijn, hoe eerder gedachten de ruimte krijgen om op te komen (uppajjati). Deze vormen de basis voor onze interne wereld die zich manifesteert in onze externe wereld, van hoe we leven, een bepaald gedrag etc. Door de veelvuldige herhaling van dit alles (het vastgrijpen) wordt het een gewoontepatroon dat steeds eenzijdiger wordt. Het leven is dan niet verfrissend en vernieuwend, maar een reeks van reacties op reacties waarin het oude geen plaats maakt voor het nieuwe en alles bij het oude blijft. Dit ondermijnd ware levensvreugde omdat dit het leven op zo'n manier verarmt. Bij een gebrek aan aandacht zal dit een steeds dominantere rol gaan spelen.
Waar het oude vastgehouden wordt, daar kan het nieuwe niet zijn. Dit wil zeggen dat we ons bewustzijn (viññana) dan niet kunnen vernieuwen. Bewustzijn hoort te zijn zoals de rivier. Een rivier heeft de eigenschap om te stromen waardoor hij steeds nieuw is. Aandacht (avajjana) is de bevrijdende kracht die het hechten aan het oude doet verwelken. Door niet aan het oude te hechten wordt bewustzijn geschoond, vrijgemaakt van de vervuiling van oude indrukken (phassa), oude ervaringen etc. Dan ontstaat er meer ruimte in onze geest zodat we niet gefixeerd zijn op één punt, maar het totale gebeuren kunnen zien. Ruimte in de geest werkt als een licht om nieuwe dingen te ontdekken (passati) zodat er steeds nieuwe kansen worden gecreëerd. Dit is een voorwaarde om te kunnen leren (sikkhati) van alles wat er zich voordoet. Dan worden we niet door het oude gehinderd of in beslaggenomen. In het oude valt niets nieuws te ontdekken, niets te leren. Dit is hoe we in mentaal opzicht tot volle wasdom (gotrabhu) komen.
Wees volhardend in waakzaamheid. Houdt niets vast zodat je elk moment nieuw en sprankelend fris kunt zijn. Genietend van elk moment.
Onafhankelijkheid en zelfvertrouwen
Als we bij het oude blijven, in gedachte- en gewoontepatronen blijven steken, ons conformeren aan tradities, aan cultuurgewoonten en allerlei dingen in de wereld zowel intern als extern, aan bepaalde mensen etc., maken we onszelf er afhankelijk van. Dit is conditionering. Dan zoeken we het in 'het geconditioneerde'. Boeddhisme is vooral een weg van het oude achterlaten en het nieuwe ontdekken (passati), maar in conformisme valt niets nieuws te ontdekken. Door conditionering 'word je zoals anderen zijn' waardoor je nooit jezelf kunt zijn. Onthoud, dat waar een afhankelijkheid (nissito) is, daar geen vrijheid (vimutti) kan zijn. Dit is een logisch klinkend feit, maar we begrijpen dit doorgaans slechts conceptueel. Dit conceptueel begrijpen (anubodha ñana) moet in het hart (bala) middels praktijkervaring (patipatti) tot volwassenheid komen (gotrabhu).
Sommigen die 'de klok hebben horen luiden maar niet weten waar de klepel hangt', zeggen dat alle religies op hetzelfde neerkomen. De volgende alinea impliceert een volstrekt tegengestelde richting dan de enige weg (ekayana) die door de Boeddha — de Samma Sambuddha — is verkondigd. Hij leert dat afhankelijkheid geen bescherming (anātha) biedt en dus gevaar (adinava) impliceert.
Toen Jezus aan het kruis hing en een immens lijden moest doorstaan, was zijn smartenkreet: "O vader, waar ben je nu?!" Maar die vader waarvan hij zichzelf zo afhankelijk had gemaakt en waarin hij zo'n vertrouwen had, kwam niet…
Wanneer je niet waakzaam genoeg bent, zul je eerder reageren op dingen, op toestanden etc. Dit reageren op van alles en nog wat, maakt je er afhankelijk van. Het zal geleidelijk aan een sterk bepalende en dominante rol gaan spelen. Hierdoor ga je minder op jezelf vertrouwen en meer op anderen. Als je niet op jezelf vertrouwt blijft er immers niet veel anders over dan maar klakkeloos te vertrouwen op anderen en de wereld om je heen. Organisaties, instanties, mensen met een bepaalde titel, een wetenschapper, een leraar, een monnik etc. etc., worden op die manier 'de bron van wijsheid'. Maar deze zijn niet per definitie de bron van wijsheid. De ware bron van wijsheid is in jou, maar die bron moet ontdekt (passati) en ontwikkeld (bhavetatabbam) worden. Door waakzaamheid (appamada) en indachtigheid (sati) te trainen word je onderzoekender (dhamma vicaya) van geest en neem je niet zomaar alles aan (sarambhapi) wat door de zintuigen tot je komt, wat de bron ook is. Hierdoor ontwikkelt juist begrip (samma ditthi) in je en daarmee zelfvertrouwen (saddha). Het ware zelfvertrouwen is altijd gebaseerd op begrip.
Zo zie je dat het ware begrip niet afhankelijk is van anderen of van iets buiten je, maar dat je dit zelf, van binnenuit moet ontwikkelen. Omdat wijsheid niet afhankelijk is van anderen, moet het uit jouwzelf komen. Ik bedoel hiermee niet een leger van dominante gedachten mee die als een innerlijke stem je leven beheersen en je op het verkeerde spoor kan zetten. Als je nalatig bent in waakzaamheid, kan die stem uitermate dominant worden waarvan de ernst niet onderschat moet worden. Wat ik bedoel met dat het 'uit jouwzelf moet komen', is dat het ware begrip nergens afhankelijk van hoort te zijn. Als het dan uit jouwzelf komt betekent dit dat het spontaan vanuit je ware natuur is opgekomen omdat de geest nergens door is beïnvloed, door niets is aangezet noch vooropgezet is (asankharika citta)[2]. Dit is het ongeconditioneerde (asankhata). Het is een glimp van Nibbana.
Daarom is het beschouwen van de geest (cittanupassana) in inzicht meditatie enorm belangrijk — omdat de geest de voorloper (manopubbangama) is van alle dingen.
De vernauwde geest
Concentratie (samadhi) is een neutrale mentale factor (cetasika), d.w.z. dat er zowel goede als verkeerde concentratie kan zijn. Dit artikel is niet bedoeld om allerlei aspecten van concentratie te belichten. Maar m.b.t. het afhankelijk (nissito) zijn, is er één aspect van concentratie dat ik hier wil benadrukken, namelijk het feit dat concentratie kan leiden tot fixatie. Fixatie op een punt sluit alles wat daar omheen is, uit. Het is dan niet mogelijk om het totale gebeuren te begrijpen, de samenhang van dingen zoals oorzaken en gevolgen.
Wat in die gefixeerdheid de sleutelrol speelt, is de onoplettendheid (pamada) dat hand in hand gaat met de voortdurende toegeeflijkheid (kama) aan zintuiglijke verlangens (kamacchanda). Dit leidt tot een vernauwde geest die alleen datgene ziet wat hij wil zien en daardoor het totale gebeuren mist omdat er voorkeur en daarom ook afkeer (anurodhapativirodha) is oftewel omarmen en wegduwen. Hoe dominanter zintuiglijk verlangen is, hoe eerder er iets zal zijn wat juist niet gewild is, waar je een afkeer van hebt, dat er iets is dat je wilt wegduwen. Zintuiglijk verlangen werkt ook angst (bhaya) in de hand dat het wegduwen nog meer aansterkt. Zo zien we dat zintuiglijk verlangen tot ontkenning oftewel tot begoocheling (moha) leidt.
Het object waarop de fixatie betrekking heeft kan van alles zijn, zowel intern als extern. Ook hoeft dit zeer zeker niet één specifiek object te omvatten; het is de algehele leefwijze in onoplettendheid (pamada) en het niet bewaken van de zintuigen, waardoor er geleidelijk aan een gefixeerde geest ontstaat m.b.t. diverse objecten betreft, dan weer hier, dan weer daar (S56-011). Fixatie leidt tot een vernauwde (onontwikkelde) geest (amahaggata citta) die de totale samenhang van dingen niet ziet.
Mentale verdoving
Wanneer de geest gefixeerd raakt omdat diverse dingen en omstandigheden steeds de aandacht trekken, is hij voortdurend in beslaggenomen waardoor hij onmogelijk vrij kan zijn. Het in beslaggenomen zijn gebeurd geleidelijk aan waardoor het moeilijk is om dat zelf te beseffen. Als je fysiek slaapt besef je ook niet dat je slaapt. Bij een mentale slaap is dat net zo. Als je middels de juiste training, zoals het observeren van de toestand van geest (cittanupassana), je gewaar bent dat er werk aan de winkel is om mentaal te ontwaken, kun je daar richting aan geven en naar het doel toewerken. Want hoe dieper het in beslaggenomen zijn zit, hoe gevaarlijker de situatie is. De geest kan namelijk volledig verdoofd raken waardoor hij belangrijke signalen niet meer oppikt. Eerst wordt de staat van de geest (citta) niet gekend. De staat van de geest is een eerste belangrijk signaal van wat er mentaal aan de hand is. Dan worden signalen van wat er hier en nu speelt niet opgepikt. Ook signalen van goede vrienden, een goed leraar etc., die als een goed advies of waarschuwing bedoeld zijn, komen dan niet echt binnen. Het oor hoort het wel, maar Het hart doet er niets mee.
Dit is een gevaarlijke (adinava) situatie omdat hij op weg is geïsoleerd te raken van de realiteit en zijn doel zal missen. Kameraadschap is namelijk een erg belangrijk begrip in het boeddhisme omdat gezelschap van goede mensen (sappurisa samseva) de eerste voorwaarde is voor het in de stroom treden (sotapatti). Vandaar een sangha belangrijk is. Wanneer iemand zich vervreemd van goede vrienden is dit daarom zorgwekkend. Hij raakt daarentegen meer verbonden met zijn eigen persoonlijke wereld (sakkāyapariyāpanna) en bouwt zogenaamde 'beschermende muren' om zich heen. Maar dit is niet de juiste bescherming (nātha); dit zijn niet de dingen die bescherming bieden (nāthakaraṇādhammā).
Door een verdoofde geest die geen essentiële signalen opvangt, kun je zelfs volledig verloren raken. D.w.z. dat dit kan leiden tot een zeer ongelukkige toestand, een duistere wereld. Als je begrijpt dat het bewustzijn is dat een bepaalde wereld in stand houdt, kun je begrijpen wat ik bedoel met 'volledig verloren raken'. Dit is waarom de Boeddha steeds waarschuwt dat Mara het goede Pad sluit en het slechte pad opent. Dit is het gevaar (adinava). Wees daarom wijs en neem elke waarschuwing (anusasana) uitermate serieus.
Bewaking van de zintuigen
Er zijn vijf fysieke zintuigen die niet los staan van één mentaal zintuig, de geest (mano) oftewel bewustzijn (viññana). Meer hierover lees je onder ayatana.
Het allerbelangrijkst om vrij (vimutti) te zijn van alles wat er is en wat er zich voordoet, is beheersing met betrekking tot de zintuigen (indriya samvara sila). Dit fungeert als een bescherming (sanātha).
Wanneer je je zintuigen niet bewaakt, zullen allerlei zintuigobjecten (beelden, geluiden, geuren, smaken, voelbare dingen en ideeën of gedachten) de aandacht trekken. Geleidelijk aan ontstaan er banden (kama guna) vanwege het hechten (upadana) aan die objecten. Een zeer belangrijk gegeven is dat door het kalmeren van zintuiglijk verlangen (kama vupasamana) alle angst (bhaya) wordt overwonnen en een diepe innerlijke rust wordt verkregen. Het bewaken van de zintuigen werkt als een beschermer (nātha) en alleen jijzelf kunt jezelf beschermen.
Indien de Dhamma correct in praktijk (patipatti) wordt gebracht, zal de zintuiglijke verstorende toestand van de geest (kama mathenti citta) geen invloed hebben.
De zintuigobjecten beslaan een breed veld, onze hele wereld zelfs. De zintuigobjecten spelen dan ook voortdurend een allesbepalende rol. Wanneer je kijkt, luistert etc., met een idee, verstoort (iñjita) dit idee het waarnemen. Dan is er geen zuivere waarneming maar een verdraaiing (vipallāsa).
Wat goed begrepen moet worden, is dat het waarnemen met de vijf fysieke zintuigen een herinnering opbouwt. Deze herinneringen kunnen met de geest (mano), het zesde zintuig, worden waargenomen. Een herinnering is het oude. Een afhankelijkheid (nissito) van herinneringen is een voeding (ahara) en dus een voorwaarde (paccaya) voor de geest om er weer allerlei ideeën en gedachten aan toe te voegen, erbij te maken (papañca). Zo neemt het bos van ideeën toe dat wederom een voorwaarde is voor een verstoring (iñjita) van de nieuwe waarnemingen. Nieuwe waarnemingen worden zo geconditioneerd door het oude, beïnvloed (asava) door wat de geest al eerder heeft vergaard. Zo leidt zintuiglijkheid (kama) tot een steeds verdere verdraaiing (vipallāsa) van de realiteit (sacca) waardoor iemand zichzelf aan banden (kama guna) legt en daarom niet vrij (vimutti) kan zijn.
Telkens wanneer de bewaking m.b.t. de zintuigen (indriya samvara sila) tekort schiet, zullen zintuiglijke verlangens (kamacchanda) in kracht toenemen. Wanneer ze geïntensiveerd (papañca) worden, ontstaat daaruit een begeerte (tanha). Wanneer dat geïntensiveerd wordt, ontstaat daaruit hechten (upadana) etc. Zoals gezegd betreft dit ook de objecten van de geest in de vorm van ideeën en gedachten. Dit hechten aan ideeën en gedachten is erg bepalend (de voorwaarde (paccaya)) voor de visie (ditthi) die daaruit ontstaat. Het hechten kan worden gezien als een gefixeerdheid van de concentratie (samadhi) op een punt waardoor al het overige wordt uitgesloten. Men houdt dan hardnekkig vast aan eigen, persoonlijke meningen; je wordt 'eigenwijs', weet het allemaal beter, je geest kan zich dan vanwege zijn gefixeerdheid moeilijk openstellen voor goede adviezen. Dit versterkt het geloof in persoonlijkheid oftewel een persoonlijke visie (sakkaya ditthi). Dit is dan ook de eerste van de 10 banden die een wezen aan het lijden binden. Dat is zo omdat middels dit proces iemand wordt opgenomen in een geïndividualiseerd bestaan (sakkāyapariyāpanna).
Dit is waarom zintuiglijke verlangens (kamacchanda) een sleutelrol spelen in het blokkeren van de ontwikkeling van inzicht en dus van bevrijding (vimutti) van lijden (dukkha). Want de dingen zien zoals ze werkelijk zijn, is volstrekt iets anders dan de dingen zien zoals je ze wilt zien.
Er zijn soorten bewustzijn (viññana) voor het waarnemen van de corresponderende zintuigobjecten. Waarnemen bouwt een herinnering op dat wordt 'opgeslagen' in het geestesbewustzijn element (mano viññana dhatu) oftewel 'de vergaarbak'. Dit beïnvloedt op z'n beurt weer het toekomstige waarnemen (en heel veel andere zaken).
Alle soorten bewustzijn ontstaan afhankelijk (nissito) van een voorwaarde (paccaya) en vormen samen één functionerend (viññana kicca) geheel. Zo bouwt bewustzijn sferen (ayatana) oftewel de wereld waarin je leeft.
Reageren of ageren?
Op iets reageren betekent dat je datgene waarop je reageert, de voorwaarde (paccaya) laat zijn op je fysieke en/of mentale gesteldheid. Dit is conditionering. Het is een beïnvloeding (asava) die een ballast (upadhi) veroorzaakt vanwege zelfidentificatie (sakkāyapariyāpanna). Deze beïnvloeding is vanwege een afhankelijkheid (nissito). Het is de afhankelijkheid waardoor je a.h.w. 'dingen in bezit neemt' (upādāya) waarmee je jezelf belast (upadhi). In afhankelijkheid, in deze belasting, kan geen vrijheid (vimutti) zijn. Dit betekent niet dat we nooit iets moeten doen, dat we nooit een actie moeten ondernemen. Maar er is een groot verschil tussen reageren en ageren.
Reageren is een handeling die is aangezet vanwege een afhankelijkheid van een toestand. Dan heeft die toestand invloed op je, heerst het over je. In ageren echter, is er geen enkele aanzet of beïnvloeding, noch van buitenaf (extern) noch van binnenuit (intern). Deze actie is direct afkomstig van de niet aangezette of niet vooropgezette geest (asankharika citta). Dit is geen reactie, maar een actie die puur en echt (akuttima) is, rechtstreeks uit het hart komt vanwege essentiële ontwikkelde vermogens (bala) en je alleen doet wat je moet doen. Soms is dat helemaal niets, soms niet niets, maar nooit te veel. Het is het perfecte. Ik noem het 'wijsheid in actie'. Dit is de ongeconditioneerde (asankhata) geest die vrij is van invloeden. Dit is de ballast (upadhi) overboord gooien, er niet aan vasthouden (anupādāya). Bij een correctie beoefening (patipatti) van de Dhamma zullen dergelijke momenten zich steeds vaker voordoen. En uiteindelijk, wanneer de geest tot volle wasdom (gotrabhu) is gekomen, hebben dergelijke momenten plaatsgemaakt voor een voortdurende stabiele (dhuva) staat van ongeconditioneerdheid waarin het einddoel — Nibbana — is bereikt. Hier is je ware natuur bereikt, de volledige zelfoverwinning.
De geest is de voorloper (manopubbangama) van alle dingen. Daarin spelen vele mentale associaties die allemaal reacties op reacties veroorzaken oftewel oorzaken en gevolgen. Elke reactie creëert een toestand, een conditie. Dit is conditionering oftewel het proces van worden (bhava) waarin je niet kunt zijn.
Omdat de geest de voorloper is, zeer snel is en daarom mentale associaties elkaar in een razendsnel tempo opvolgen, kan de geest — afhankelijk van interne of externe toestanden — allerlei dingen creëren (manomaya). Elke creatie leidt tot het geconditioneerde en dus van het doel (Nibbana) weg. Omdat hij de voorloper is van alle dingen die toestanden creëren, is in de boeddhistische meditatie het beschouwen van de geest (cittanupassana) van primair belang. Daarom is het ware boeddhisme niet extravert, maar vooral introvert.
Specifieke oftewel belangrijkste formaties
Specifieke oftewel belangrijkste formaties
Formaties (sankhara) omvat alle dingen in het algemeen. Echter, binnen de context van het voorwaardelijk ontstaan (paticcasamuppada, paccaya nr. 2) hebben formaties betrekking op die formaties die het wedergeboorte proces (upapatti bhava) in gang zetten. D.w.z. dat de geest iets creëert, er de oorzaak van is dat er dingen opkomen, ontstaan (uppajjati) en dus het wordingsproces (kamma bhava) genereert. De specifieke sankhara's die dit wordingsproces genereren zijn exact gezegd de abhisankhara's wat verschilt van sankhara's in algemene zin.
Daarnaast zijn er nog andere belangrijke mentale kwaliteiten die erg bepalend zijn zoals vaardigheid (paguññata), aanpassingsvermogen (kammaññata) en andere mentale factoren (cetasika's). Dit zijn ook allemaal factoren die van invloed zijn op de mentale sankhara's.
Wil je meer weten over kamma, dan zijn hier enkele interessante gerelateerde termen (op alfabetische volgorde) die je eventueel kunt raadplegen:Bewustzijn en de persoonlijke wereld
Bewustzijn is een erg belangrijk aspect. Het Pali woord hiervoor is viññana, maar citta en mano worden ook gebruikt. Zie mano voor een uitleg.
Een afhankelijkheid (nissito) van toestanden, condities (paccaya) — dus hoe je daar mee omgaat — bouwt, creëert een wereld. Het laat een wereld geleidelijk aan opkomen, ontstaan (uppajjati). Dit ontstaan van die wereld staat niet los van bewustzijn; hij bestaat niet buiten het bewustzijn, maar binnen het bewustzijn Alle mensen zijn bewust, maar allemaal op hun eigen persoonlijke manier. Want iedereen gaat op een verschillende manier met toestanden om en iedereen heeft zijn eigen persoonlijke dingen (sakkaya dhamma) zoals gevoelens (vedana), waarnemingen (sañña), mentale formaties (sankhara), denkprocessen etc. We leven allemaal op dezelfde aarde en tegelijkertijd allemaal in een verschillende wereld omdat mensen hun eigen wereld creëren. Dat is omdat bewustzijn persoonlijk is, een 'ego trip' is.
Alles begint bij de geest, want deze is de voorloper (manopubbangama) van alles. Alleen al in het mentale gebied zijn er heel veel mentale associaties die allemaal reacties op reacties veroorzaken dat steeds een persoonlijke wereld doet ontstaan (sakkāyapariyāpanna).
Bewustzijn houdt alles bij elkaar
Het voortdurende opkomen (uppajjati), het in het bestaan komen (bhava) van dingen, het geboren worden ervan, stopt niet bij de dood. Wat we definiëren als 'de dood' is slechts de fysieke groep (rupa kkhandha) van een wezen die z'n tijd heeft gehad en 'de uiterste houdbaarheidsdatum' heeft bereikt. De overige vier groepen, gevoelens (vedana kkhandha), waarnemingen (sañña kkhandha), mentale formaties (sankhara kkhandha) en bewustzijn (viññana), gaan gewoon door in het proces van het in bestaan komen (bhava), althans voorlopig in een andere dimensie. Van daaruit leidt datzelfde proces — afhankelijk van de kamma formaties — weer tot een in het bestaan komen in een volgende wereld. Dit proces herhaalt zich zolang er begeerte naar bestaan (bhava tanha) is. Samen met twee andere vormen van begeerte (kama tanha en vibhava tanha) is begeerte (tanha) de hoofdoorzaak van lijden (dukkha) waardoor het wezen oneindig blijft continueren in het bestaan te komen (samsara). Het is de oorzaak van een individuele identificatie (sakkāyasamudaya). In welke wereld het wezen ook verschijnt, het is een persoonlijke wereld, opgenomen in een geïndividualiseerd bestaan (sakkāyapariyāpanna). Ik noem het daarom een 'ego trip' of 'ik' bewustzijn. Het is bewustzijn (viññana) dat alles — d.w.z. de groepen van hechten (pañca upadana kkhandha) — bij elkaar houdt. Elke groep is onafgebroken met bewustzijn verbonden.
De uitblussing van de persoonlijke wereld
Bewustzijn is gestoeld op persoonlijkheid (sakkaya). Het bewustzijn gaat door, blijft in stand, omdat het bewustzijn moet leren, tot volle wasdom (gotrabhu) moet komen. Net zolang totdat het zijn eindbestemming bereikt zoals de rivier zijn eindbestemming bereikt wanneer hij de zee bereikt.
De functie van bewustzijn is om tot helder begrip (sampajañña) te komen wat bereikt wordt door onthechting (viraga). Wanneer dit een feit is, zit het werk dat gedaan moet worden erop (katam karniyam).
Wanneer begeerte (tanha) wordt opgegeven wordt daarmee lijden opgegeven. Dit is het einde van de individuele identificatie (sakkāyanirodha) oftewel de uitblussing (nirodha) van bewustzijn en daarmee het einde van het in bestaan komen van de vijf groepen van hechten (pañca upadana kkhandha). Dit is het einde van conditionering.
Wanneer je gehecht bent aan het bestaan (bhava tanha), zou je dit kunnen zien als iets negatiefs, maar lijden wordt niet door wijsheid in stand gehouden, maar door onwetendheid (avijja) dat altijd samengaat met begeerte (tanha).
Eigen ervaring
Wat hierboven is geschetst is de kern van 'de wet van het afhankelijk ontstaan', ook wel 'de wet van het voorwaardelijk ontstaan' (paticcasamuppada). Het is een erg belangrijk onderwerp in de boeddhistische Leer. Om de Dhamma te begrijpen moet de theorie (pariyatti) in praktijk worden gebracht (patipatti) zodat deze uit eigen ervaring (veditabba) kan worden begrepen.
Het pad naar arahatschap
De asceet Bahiya twijfelde of hij een arahat was en of hij het pad naar arahatschap betreden had. Iemand die geen arahat is twijfelt hierover, maar een arahat twijfelt hieromtrent geen moment over omdat hij exact uit eigen ervaring (veditabba) weet wat dat pad is. Hij heeft namelijk dat pad van zelfoverwinning dat een einde maakt aan zelfidentificatie (sakkāyapariyāpanna) en daarmee een einde aan lijden, door vastberadenheid geheel op eigen kracht voltooid. De Pali termen voor vastberadenheid zijn o.a. adhitthana; manopanidhi vimutta; adhimokkha.
De kern van het advies van de Boeddha aan Bahiya, is dat hij louter aandachtig moet zijn, dat hij als een passieve toeschouwer moet zijn in al z'n waarnemingen. D.w.z. dat Bahiya 'niets moet oppakken' (upādāya), 'er niets mee moet doen', in alles wat hij waarneemt, niets moet creëren. De Boeddha verwijst ook naar gevoelens (vedana). Gevoelens hebben een sterke invloed op hoe bewustzijn ontwikkelt (voor meer zie satipatthana). Wat goed begrepen moet worden, is dat bewustzijn (viññana) een 'ego trip' is dat bevrijding blokkeert. De functie van bewustzijn is gewaarzijn (vijañana) dat de weg naar bevrijding opent. Dit is waarom de Boeddha zegt dat bewustzijn (de 'ego trip') moet uitdoven (nirodha) zodat iemand tot waar begrip komt. Raadpleeg ook de eindnoot in het citaat.
Vervolgens zegt de Boeddha tegen Bahiya, dat hij dan niet 'daarbij' hoort. Dit betekent dat hij nergens 'bij betrokken' is en dan ook niet 'in betrokken' is. M.a.w.: dat hij dan nergens door in beslaggenomen is waardoor hij vrij kan zijn. Want: 'verenigd zijn met (sampayoga) iets dat men niet lief heeft (appiyehi), is lijden, gescheiden zijn (vippayoga) van iets dat men lief heeft (piyehi), is lijden'[3].
Wanneer 'ik' niet meer tussenbeide komt, is het 'ik bewustzijn' getransformeerd naar een helder begrip (sampajañña) hetgeen de voorwaarde voor bevrijding is. Dit is het doel in inzicht meditatie (vipassana bhavana).
"Hier (idha), Bahiya, moet je jezelf aldus trainen: 'In hetgeen men ziet, zal slechts zijn wat gezien is; in hetgeen men hoort, zal slechts zijn wat gehoord is; in hetgeen gevoeld wordt, zal slechts zijn wat gevoeld is; in hetgeen men waarneemt, zal slechts zijn wat waargenomen is.' Op deze manier moet je jezelf trainen, Bahiya[4]."
"Als, Bahiya, in hetgeen je ziet, slechts is wat gezien is; in hetgeen je hoort, slechts is wat gehoord is; in hetgeen je voelt, slechts is wat gevoeld is; in hetgeen je waarneemt, slechts is wat waargenomen is, dan, Bahiya, zul je niet 'daarbij' horen; als, Bahiya, je niet 'daarbij' hoort, dan, Bahiya, zul je niet 'daarin' zijn; als, Bahiya, je niet 'daarin' bent, dan, Bahiya, zul je noch hier, noch aan de andere zijde, noch tussen beide in zijn. Precies dit is het einde van lijden."
Ud1-10 — Bahiya Sutta — Bahiya
Niets meer creëren
Het gecreëerde is het geconditioneerde (sankhata). Als je mentaal niets meer creëert, bereik je het ongeconditioneerde, d.w.z. Nibbana hetgeen het boeddhistische doel is. Dit is gelijk aan de niet vooropgezette geest (asankharika citta).
Zolang de ideeën van 'ik' niet overwonnen zijn blijft dat 'zelfbewustzijn' parten spelen, zich overal mee bemoeien en tussenbeide komen. Het is een dominante kracht die voor jou de weg uitstippelt en moeilijkheden creëert waardoor je niet vrij kunt zijn. Door deze zelfidentificatie, raak je steeds in dingen (dhamma's) betrokken. Waar je in betrokken raakt, daar kun je niet vrij van zijn hetgeen gevaar (adinava) impliceert en daarom ben je kwetsbaar (yathākāmakaraṇīya). Daarom zou je jezelf moeten beschermen (nātha). Het niet vrij zijn is een last (upadhi), geen verlichting (bodhi).
Jezelf identificeren met een situatie, met wat iemand tegen zegt, met een voorval, met een gebeurtenis, een toestand — kortom: alles wat binnen de vijf groepen van hechten (pañca upadana kkhandha) valt — of het nu intern of extern is, betekent dat je die toestand mentaal vastgrijpt (upādāya), je er iets mee doet, je er brandstof oftewel voeding (ahara) aan geeft. Dit veroorzaakt in mentaal opzicht een toename (papañca), zodat het groter wordt, zich uitbreidt. Zo komen dingen in het bestaan (bhava). Zo kan er bijvoorbeeld een onaangenaam gevoel (vedana) uit voortkomen. Dit gevoel kan teleurstelling, verdriet (soka), smart (domanassa), boosheid (vyapada) of zelfs haat (dosa) teweegbrengen. Dit zijn allemaal vormen van gevoelens.
Gevoelens spelen een belangrijke rol bij het versterken van een persoonlijke (sakkaya dhamma) visie (sakkaya ditthi). De afhankelijkheid van die gevoelens leidt tot voorkeur en afkeer (anurodhapativirodha) en dat weer tot verkeerd inzicht (miccha ditthi). De afhankelijkheid van gevoelens leidt o.a. ook tot boosheid (dosa) waardoor je bijvoorbeeld niet goed kunt nadenken (manasikara) en verkeerde keuzes (cetana) maakt.
Zo kan het in bestaan komen van één ding een hele reeks van kettingreacties creëren. En de voorloper (manopubbangama) hiervan is de geest. Het probleem wordt gevormd wanneer je jezelf identificeert met allerlei fenomenen (dhamma's), dat je er iets mee doet, er brandstof aan geeft. Wellicht gaat de volgende alinea nog te diep voor je, maar wanneer je kennis van de Dhamma toeneemt en je de Dhamma daadwerkelijk in praktijk (patipatti) brengt, zal het betekenisvol voor je zijn:
Het is de zelfidentificatie die 'activerend' (nisankhiti) is. D.w.z. dat dit het kamma proces (kamma bhava) in gang zet vanwege het vasthouden aan het idee van 'ik', het 'ik' dat steeds tussenbeide komt en verdeeldheid (paṭivibhatta) zaait doordat het steeds invult, benoemd (paṭivibhajati). Wanneer het 'ik' niet meer tussenbeide komt, is er geen verstoring (iñjita), maar harmonie (sāmaggī). Dit is zelfoverwinning, het einde van lijden.
Het is het persoonlijke, de tussenkomt van het 'ik' dat verdeeldheid zaait (vagga), waardoor er steeds iets wordt gecreëerd (manomaya), in het bestaan komt (bhava). En het bestaan wordt gekenmerkt door het onbevredigende kenmerk ervan oftewel lijden (dukkha).
We houden dingen en toestanden vast waardoor we, afhankelijk daarvan, weer méér dingen en toestanden creëren. Allemaal vanwege een gebrek aan aandacht (avajjana) waardoor we niet waakzaam (appamada) en niet indachtig (sati) kunnen zijn.
De geest is heel knap in het creëren van problemen,
maar minder knap om zich ervan te ontdoen.
Peter van Loosbroek — Ananda, auteur van sleuteltotinzicht.nl.
Al die creaties leiden tot een 'bubbel' van een geïndividualiseerd bestaan (sakkāyapariyāpanna). Het veroorzaakt verdeeldheid, disharmonie (paṭivibhatta), geen eenheid, muren, kloven. Dat is omdat het idee van 'ik' voortdurend tussenbeide komt. Dit is niet de staat die wenselijk is, dit is niet de staat van vrede (vupasama). Door het kalmeren van zintuiglijk verlangen (kama vupasamana) wordt alle angst (bhaya) overwonnen.
De tussenkomst van het 'ik' is een krachtige energie dat het ontdekken (passati) en daarom het leren, in ernstige mate kan frustreren. Het is de grote verdeeldheidzaaier (vagga) dat de mogelijkheid ontneemt om tot inzicht te komen in hoe dingen zijn en werken (yathabhuta). Aangezien dit helder begrip (sampajañña) de voorwaarde is om te ontwaken (bujjhati) doet dit bevrijding (vimutti) dan ook de das om. Daarom is het essentieel dat deze vorm van 'persoonlijkheid' overwonnen wordt. Mara wil hem in stand houden. Ga je op zijn misleidingen in? Hij is 'de niet-bevrijder' (namuci).
Maar wanneer er geen vastgrijpen (upādā) is, is er ook geen afhankelijkheid (nissito), geen voorwaardelijke conditie (paccaya), geen opkomen (uppajjati) van dingen (dhamma's), geen in het bestaan komen (bhava). In plaats daarvan is er vrede (vupasama) het ongeconditioneerde (asankhata) — Nibbana. Deze vredige toestand is een geluk dat eeuwig (sassata) en stabiel (dhuva) is omdat het noch een oorzaak noch een gevolg is.
Het bos van ideeën
Wanneer je kijkt naar iets, is er een beeld. Wanneer het beeld vastgegrepen wordt (upādāya) ontstaat er een afhankelijkheid van dat beeld. Deze afhankelijkheid (nissito) is een voorwaarde (paccaya) om bijvoorbeeld een idee te laten ontstaan (upapajjati). Anderzijds kun je ook kijken met een idee dat in het verleden door herinneringen (anussarati) is opgebouwd. Maar een idee bestaat slechts als een idee dat door persoonlijke dingen (sakkaya dhamma) is ingekleurd waardoor er een persoonlijke tint aan gegeven wordt. Deze inkleuring wordt versterkt door de vermenging met allerlei gevoelens (vedana) die net zo persoonlijk zijn. Dit mengsel van persoonlijke dingen vormt een steeds groter wordende kloof (paṭivibhatta) tussen wat is waargenomen en de werkelijkheid. Het ene idee met allerlei 'bij dingen' zoals oude ervaringen, kan weer een voorwaarde zijn voor nóg meer ideeën. En zo kan er een bos van ideeën ontstaan wat een voorwaarde is om de weg naar realiteit compleet bijster te raken.
Hetzelfde wat voor een beeld geldt, geldt ook voor een geluid, een geur, een smaak, een tastbaar ding (dat je met je lichaam kunt aanraken). Ik heb het dus over de zintuigen die zintuigobjecten kunnen aanraken oftewel ermee in contact (phassa) komen waardoor er sprake is van bewustzijn (viññana). Al die waarnemingen kun je in je geest terugzien omdat waarnemen (sañña) een herinnering (anussarati) opbouwt. En we hebben geleerd dat bewustzijn een 'ego trip' is. Dat het een persoonlijke wereld bouwt (sakkāyapariyāpanna).
Wanneer er een afhankelijkheid (nissito) is vanwege het vastgrijpen (upādāya) vormen al die zintuiglijke ervaringen voorwaarden (paccaya) voor gevoelens (vedana); aangename of onaangename. Deze ontstaan afhankelijk van je persoonlijke voorkeur en afkeer (anurodhapativirodha) en dragen in grote mate bij aan een persoonlijke visie (sakkaya ditthi).
Gevoelens (vedana) hebben weldegelijk een functie, maar ze moeten goed begrepen worden. Zo niet, dan zullen gevoelens je op het verkeerde spoor zetten. Zo bepalen gevoelens o.a. je visie, hoe je dingen begrijpt. Als je je gevoelens niet begrijpt, kunnen gevoelens je erg in beslag nemen waardoor het onmogelijk is om vrij te zijn.
De afbuiging van de geest
Wanneer je steeds toegeeft aan wat de zintuigen willen, wordt de aantrekkingskracht ervan groter en ontstaat er een afhankelijkheid (nissito). Zo raak je er op den duur geleidelijk aan gehecht en ontstaat er een gewoontepatroon, een bepaalde leefwijze. Je raakt geconditioneerd.
Al die waarnemingen (sañña) die gepaard gaan met gevoelens (vedana) en allemaal verbonden zijn met bewustzijn (viññana) vormen een 'bouwsel' oftewel formaties sankhara's. Deze vier componenten behelzen het mentale gebied binnen de vijf groepen van hechten (pañca upadana kkhandha).
Omdat bewustzijn 'persoonlijke dingen (sakkaya dhamma) bouwt', ontstaat daaruit een persoonlijke visie (sakkaya ditthi). Die persoonlijke visie is namelijk de voorwaarde (paccaya) voor een verkeerde koers (kammapatha). Dit is waarom bewustzijn een 'ego trip'. Persoonlijke visie is de eerste van de tien banden (saññojana) die moet worden doorgekapt om het licht van ware wijsheid (pañña) te laten schijnen.
Het Pad van de Boeddha — zoals de Boeddha het zelf zegt (S56-011) — is het Pad dat visie voortbrengt, dat kennis voortbrengt en leidt tot vrede (vupasamaya), tot hogere wijsheid (abhiññaya), tot verlichting (sambodhaya), tot Nibbana. Maar als we ons onderwerpen aan de wil van de zintuigen, — dat niets anders is dan de verzoekingen van Mara die ons aan slavernij wil binden — dan bewandelen we een heel ander pad en zal onze koers (kammapatha) er heel anders uitzien. Dit is waarom bewustzijn (viññana) en moet uitdoven (nirodha). Door je te onderwerpen aan de verzoeken van Mara raak je 'opgenomen in een geïndividualiseerd bestaan' (sakkāyapariyāpanna). Maar door jezelf nergens afhankelijk van te maken, door onafhankelijk (anissito) kun je vrij zijn, zelf je pad bepalen en heb je de regie zelf in handen. Mara overwinnen is een kwestie van jezelf overwinnen oftewel zelfoverwinning.
Geen eerste begin
De opsomming van de basisformule van het afhankelijk ontstaan (paticcasamuppada) begint bij onwetendheid, vervolgens worden mentale formaties, bewustzijn etc. genoemd. Dit betekent niet dat onwetendheid het eerste begin is. Boeddhisme leert dat er juist geen eerste begin van het ontstaan van dingen is. Maar om een verheven realiteit uit te leggen moet de Boeddha natuurlijk wel ergens beginnen. Daarbij is onwetendheid het meest logische startpunt voor de standaard uitleg oftewel de basisformule voor de paticcasamuppada. Voor bevrijding van lijden is immers wijsheid nodig, waarbij een doordringend inzicht (pativedha) in de drie kenmerken (ti lakkhana) van het bestaan de cruciale basis vormt. Dit is de tegenpool van onwetendheid (avijja).
Daarom is het logisch dat onwetendheid de eerste schakel is in de paticcasamuppada. Maar het moet goed begrepen worden dat al de 12 schakels (nidana's) die genoemd worden, geen afzonderlijk op zichzelf bestaande fenomenen zijn. Het rijtje van de 12 schakels vertegenwoordigt de conventionele realiteit (vohara sacca) die met woorden aangeduid wordt om een verheven realiteit (paramattha sacca) te verwoorden.
De Boeddha heeft ervoor gekozen om '12 schakels' te noemen om de wet van het afhankelijk ontstaan op de meest logische en begrijpelijke manier met woorden uiteen te zetten. Met deze 12 schakels (nidana's) kan het duidelijkst het ontstaan en het ophouden van lijden met woorden worden uitgedrukt[5].
Echter, wanneer iets in een chronologische rij opgesomd is of met woorden uitgedrukt wordt zoals bij de paticcasamuppada, ontstaat snel het idee dat een item in die lijst pas ontstaat ná het item ervóór. Maar zo werkt het niet. Zie het eerder zo, dat elk item in de lijst geconditioneerd wordt door elk ander item in de lijst. Het is niet juist om dingen te zien als aparte, afgebakende delen, want dan zouden dingen geen invloed op elkaar hebben. Alle schakels in de paticcasamuppada beïnvloeden elkaar kruislings.
Ontelbare waterdruppeltjes vormen samen de oceaan. En elk waterdruppeltje in die oceaan raakt steeds vermengd met andere waterdruppeltjes waardoor de samenstelling van elk waterdruppeltje wijzigt. Zo ook is een waterdruppeltje niet een afzonderlijk op zichzelf bestaand ding. Zelfs de oceanen zijn dat niet. Het zijn alleen de namen die we aan meerdere oceanen toekennen waardoor het idee van afzonderlijke oceanen ontstaat zoals 'de Grote oceaan', 'de Atlantische oceaan' etc. Maar deze oceanen zijn in werkelijkheid één grote watermassa.
Op dezelfde wijze werken alle 12 schakels (nidana's) geleidelijk en als een geheel samen; omdat elke schakel door een andere schakel wordt geconditioneerd. Niet per definitie zoals de basisformule van de paticcasamuppada. Zoals gezegd is dat een conventionele aanduiding om een verheven realiteit te verwoorden. Wanneer je sutta's over het afhankelijk ontstaan leest, zul je zien dat de Boeddha bij lange na niet altijd uitsluitend 12 schakels noemt en dus ook niet altijd per definitie bij onwetendheid begint. Hij heeft de Dhamma daarentegen op verschillende manieren uiteengezet.
Vergeet daarom nooit dat alle fenomenen, alle dingen, meerdere oorzaken hebben en dat alle dingen elkaar op elk moment onderling kunnen beïnvloeden. Daarom is er niet een eerste begin van het ontstaan van dingen. Het is belangrijk te begrijpen dat het doen ontstaan van dingen of 'het in het bestaan komen van dingen' het kamma proces (kamma bhava) en daarom het proces van wedergeboorte (upapatti bhava) in de hand werkt.
De Boeddha heeft begeerte als oorzaak van lijden aangegeven, maar omdat er niet één begin van dingen is, moeten we goed begrijpen dat begeerte de hoofdoorzaak is en dat begeerte altijd ondersteund wordt door onwetendheid. Wat essentieel is, is dat we oorzaken en gevolgen zien. De standaard canonieke tekst die we vaker in de sutta's tegenkomen gaat als volgt:
"Van een niet te verklaren begin komt wedergeboorte. Een allereerste begin is niet zichtbaar, maar wezens worden gehinderd door onwetendheid (avijja) en zijn gebonden door begeerte (tanha) waardoor zij worden wedergeboren en ronddolen."
Begeerte en onwetendheid gaan altijd samen
Afhankelijkheid (nissito) manifesteert zich als begeerte (tanha) dat altijd gepaard gaat met onwetendheid (avijja) als ondersteuning. Deze twee gaan steeds hand in hand waardoor 'dingen in het bestaan komen' (bhava).
Wanneer een object wordt begeerd, ontbreekt namelijk het doordringende inzicht (pativedha) in de ware aard van dingen waarvan de drie kenmerken (ti lakkhana) de cruciale bases vormen. Dit is de basis voor een verdraaide visie (diṭṭhivipallāsa). Onwetendheid (avijja) is niet negatief bedoeld in de zin van 'dom', maar het is een gebrek aan hogere kennis (abhiñña). Iemand die nooit gehoord heeft van de vier Edele Waarheden is niet dom, maar onwetend omtrent een essentiële waarheid (sacca). Dus als we gewillig zijn om te leren (pariyatti) en te oefenen (patipatti), zullen we niet eeuwig afhankelijk zijn van onwetendheid en kunnen we op een zeker moment geheel vrij zijn van conditionering. Het wordt veel lastiger — maar beter gezegd: onmogelijk — als we niet willen leren en niet willen oefenen. Dit heeft z'n wortel in begoocheling (moha), een vorm van een wil die geen enkele kant op wil vanwege begeerte (tanha) en gehechtheid (upadana), en daarom onwetendheid (avijja) blijft. Het is een hardnekkige geconditioneerdheid.
Stel, dat er angst in je is. Angst is een gevoel dat geconditioneerd is door iets. Het heeft een voorwaardelijke conditie hetgeen 'het conditionerend ding' is. Als het conditionerende ding er niet is, kan angst niet geconditioneerd worden oftewel 'in het bestaan komen'. M.a.w.: als we niets vastgrijpen (upādāya), laten we ons nergens door conditioneren. Waardoor kan angst dan nog geconditioneerd worden? Waar kan angst dan nog vandaan komen? Als we niets vastgrijpen, waardoor kan verdriet dan nog geconditioneerd worden? Waar kan verdriet dan nog vandaan komen?
En over deze mag je ook nadenken: als we niets vastgrijpen, waar kan geboorte en dood dan nog vandaan komen? Dan ga je inderdaad nog één keer dood, maar dat is een gevolg van een eerder vastgrijpen.
We zijn niet afhankelijk van dingen, van mensen en allerlei fenomenen en gebeurtenissen, maar we maken onszelf afhankelijk (nissito) door vast te grijpen (upādāya) waardoor we niet vrij en onafhankelijk (anissito) kunnen zijn. In afhankelijkheid kan geen ware innerlijke vrijheid (santi) bestaan. Zo komt lijden (dukkha) in het bestaan (bhava). We kunnen het ook omkeren (vivattana) door onszelf te trainen om niets vast te grijpen (anupādāya). Dan gaat het richting onafhankelijkheid en ware vrijheid (vimutti). Zo verdwijnt (nirodha) lijden uit het bestaan. Dit is waarom de Boeddha in de paticcasamuppada het toenemen (anuloma) en het afnemen (patiloma) van lijden demonstreert.
Wanneer begeerte afneemt, neemt ook onwetendheid af en neemt wijsheid toe. Dan zullen we alle oorzaken en gevolgen zien (passati) en begrijpen (sampajañña) in alles wat er is en gebeurt. Dit heet doordringend inzicht (pativedha) dat de voorwaarde is voor bevrijding (vimutti).
Het is begeerte dat een primaire sleutelrol heeft bij alle schakels (nidana's) binnen het afhankelijk ontstaan omdat begeerte 'het kleven' (visattika) van het bewustzijn (viññana) aan een ding behelst. Alle andere schakels zijn 'mede oorzakelijk'. Hierdoor komen al deze dingen in het bestaan (uppajjati). Wist je dat er aanvankelijk wel 36 stromen van begeerte zijn en uiteindelijk 108? Zie hiervoor chattimsa sota.
Het ongeconditioneerde bereikt
Het is vanwege onwetendheid (avijja) dat we dingen die vergankelijk (anicca) zijn zien als zijnde blijvend, de dingen die in de kern lijden (dukkha) en onbevredigend zijn zien als zijnde geluk en bevredigend, en de dingen die geen werkelijkheidswaarde (anatta) hebben zien als zijnde waar en werkelijk, waardoor we altijd aan lijden verbonden zullen zijn.
Maar wanneer alle begeerte (tanha) is uitgerukt (tanhakkhaya) schijnt er een licht in de vorm van een hogere kennis (abhiñña) waarin je begrijpt dat alle bezoedelingen zijn uitgeblust (asavakkhaya ñana). Dit manifesteert zich als een geluk dat voortdurend en door het hele verdere leven heen met vlagen wordt ervaren. Het is de vrucht, het resultaat van de ontwikkeling van het allerhoogste pad (zie phala, magga en arahatta magga).
Dit resultaat moet niet gezien worden in het perspectief van oorzaak en gevolg binnen een geconditioneerde (sankhata) wereld van dingen, maar het resultaat van het pad hetgeen het ongeconditioneerde (asankhata) is oftewel Nibbana. Nibbana is niet een oorzaak van iets en ook niet een gevolg van iets want dan zou het niet het ongeconditioneerde zijn.
Dit is de uitdoving (nirodha) van het stromen van dat persoonlijke bewustzijn (sakkāyanirodha). De verwerving van het ongeconditioneerde is het realiseren van de ware natuur, het tot volle wasdom (gotrabhu) zijn gekomen, de bestemming hebben bereikt. De uitdoving is het doorkappen van de stroom van het bewustzijn (viññana) omdat de eindbestemming is bereikt. Precies zoals een rivier stopt met stromen wanneer hij zijn eindbestemming, de zee, heeft bereikt. Nu is de taak (katam karniyam) waar elk wezen voor staat, volbracht — Nibbana.
Tot slot
Begrip oftewel inzicht, is de voorwaarde voor de absolute bevrijding van alle lijden. En alleen jijzelf kan je eigen bevrijder zijn, en wel door je zintuigen te bewaken. Een goed leraar kan je de perfecte weg wijzen, maar jijzelf bent voor jezelf de allerbeste beschermer (nātha (is van nātho)). Wie anders kan je beschermer zijn?
Vanwege onwetendheid zijn de meeste mensen steeds op zoek naar iets, om iets te hebben. Klampen zich overal aan vast, dan weer hier, dan weer daar (S56-011), maken zichzelf afhankelijk van allerlei dingen en mensen.
Afhankelijkheid betekent geen veiligheid (khemam) maar gevaar (adinava) omdat het de weg naar ware bevrijding (vimutti) blokkeert.
Een wijs mens laat z'n geluk van niets en niemand afhankelijk zijn.
Peter van Loosbroek — Ananda, auteur van sleuteltotinzicht.nl.
Extra aanbevelingen
Zie ook de groep pagina De kern van het ware boeddhisme.
Op groep pagina's zijn pagina's gebundeld omtrent een cruciaal onderwerp. Deze gebundelde pagina's noemen we sub pagina's. Ze werken gezamenlijk naar de betekenis en het doel van de groep pagina. In opbouwende en eenvoudige bewoording geven ze exact weer wat de Boeddha werkelijk heeft onderwezen.
Eindnoten
[1] Zie hiervoor Tanha — De drie vormen van begeerte.
[2] Zie ook De gelijkenis van het vlot.
[3] Bekijk de definitie van lijden in D22.
[4] Voor een belangrijke uitleg wat de Boeddha hier bedoelt, zie sañña vedayita nirodha.
[5] Het is natuurlijk aan de mediteerder om te oefenen (patipatti) en het Edel Achtvoudige Pad volledig te ontwikkelen teneinde tot een juist begrip van de paticcasamuppada te komen.
| RegID | bwcsoIVYhKOxW5x |
|---|---|
| Bijgewerkt | 5 april 2026 00:20:01 |
| Auteur | Peter van Loosbroek — Ananda |
| Locatie | www.sleuteltotinzicht.nl |
| Copyright | Zie a.u.b. copyright www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm |
| Overig | Geen |
