Waarom een boeddhistische Saṅgha?

Over de belangrijke functie van de boeddhistische Saṅgha.

Inleiding

In dit artikel wordt een belangrijke functie van de boeddhistische Saṅgha uitgelegd. Nadruk ligt op de typen personen waaruit de Saṅgha bestaat. Aan de hand hiervan kan worden toegelicht wat intelligente navraag inhoudt wat maar al te vaak plaatsmaakt voor twistgesprekken. De juiste kennis hierover speelt een allesbepalende rol in het voortbestaan van een gezonde en sterke Saṅgha en dus van de ware Dhamma zoals de Boeddha het bedoeld heeft. Het op de juiste manier hiermee omgaan vereist een respectvolle houding.

Iedereen die gewillig is om te leren en zijn hart openstelt voor de edele Dhamma behoort tot de Saṅgha. Vrouwen, mannen en kinderen. En het maakt helemaal geen enkel verschil of iemand monnik of non is. Het is niet een gewaad of een kaalgeschoren hoofd dat iemand een edel mens maakt.

De functie van de Saṅgha

De functie van de Saṅgha is om saamhorigheid, harmonie en kameraadschap te bevorderen. Wanneer de leden van de Saṅgha vragen hebben over de Dhamma, is het de Saṅgha die hen hierin kan ondersteunen. Een goed advies stelt mensen in staat de Dhamma op de juiste wijze te beoefenen (pariyatti) zodat zij het doel — Nibbāna — kunnen bereiken. Wanneer de ware Dhamma correct beoefend wordt, draagt het doorgeven van de Dhamma tevens bij aan het voortbestaan van de Dhamma. Dit is de cruciale functie van de Saṅgha. Hieruit kan worden opgemaakt dat vriendschap (mitta) met goede mensen binnen het boeddhisme van grote betekenis is zoals de Boeddha dit in o.a. A10-062 benadrukt.

Echter, vanwege onwetendheid (avijjā) en een beperkt onderscheidingsvermogen (buddhavisaya), wordt de functie van de Saṅgha niet goed begrepen. Vanwege onwetendheid omtrent de ware Dhamma, samen met een gebrek aan een gevoel van verantwoordelijkheid en respect, wordt de Dhamma verkeerd doorgegeven. Het gaat hierbij voornamelijk om het niet goed kunnen onderscheiden van de verschillende soorten leden van de Saṅgha, en het niet goed onderscheiden van wat intelligente navraag is en wat twistgesprekken zijn. Deze dingen leiden tot verwarring en het verdwijnen van de Dhamma uit de wereld en daarom tot grote schade. Ten tijde van de Boeddha waren er ook monniken die een verkeerd beeld hadden van de Boeddha, de Dhamma en de Saṅgha. De Boeddha was zeker niet mals in zijn kritiek op deze mensen. Later meer hierover.

De leden van de Saṅgha

Iedereen die voornemens heeft om het trainingssysteem van de Boeddha, het Edel Achtvoudige Pad — Ariya Aṭṭhaṅgika Magga — als zijn of haar levenswijze te aanvaarden, behoort tot de Saṅgha.

Tussen de leden van de Saṅgha bestaat echter een belangrijk onderscheid. De kern van de Saṅgha vormt zich rond de vier niveaus van edele personen (ariyapuggala). Vanwege hun specifieke vermogens, hun verworvenheden (zie lokuttara), worden deze personen ook wel 'de gemeenschap van edelen' (ariyasaṅgha) genoemd. Dit onderscheid hen van de 'gewone mensen' oftewel 'de wereldling' (puthujjana). In het algemeen kan worden aangenomen dat het monniken of nonnen zijn die tot de ariyasaṅgha behoren. Wat echter altijd goed herinnerd moet worden, is dat het dragen van een gewaad iemand geen edel persoon maakt. Het is de zuiverheid van geest en daarom iemands inzicht, wat iemand een edel mens maakt. Een lekenvolgeling kan dus net zo goed een edel persoon zijn.

Het is de gemeenschap van edelen (ariyasaṅgha) die de cruciale verantwoordelijkheid draagt in het doorgeven van de edele Dhamma (ariyadhamma) en dus voor het voortbestaan ervan. Deze taak is niet aan de wereldling (puthujjana) wat straks duidelijk zal worden waarom dat zo is.

Omdat er vier graden van heiligheid zijn, is er sprake van vier niveaus van wijsheid (paññā) oftewel inzicht (vipassanā). Daarnaast spelen ook eigenschappen zoals de vaardigheid in het kundig, helder en eenvoudig uiteenzetten van de Dhamma een cruciale rol.

Het volgende is een standaard canonieke tekst waarin de Boeddha het onderscheid aangeeft tussen iemand die de Dhamma kent en iemand die de Dhamma niet kent. Verderop in de toespraak geeft de Boeddha aan dat er — bij degene die de Dhamma niet kent — veel gedachten zijn die draaien om 'ik'. In hetzelfde licht zijn er meerdere toespraken zoals bijvoorbeeld A04-199.

Hier (idha) monniken, is de niet-geïnstrueerde (assutavā) gewone mens (puthujjana), die de edelen (ariyānaṁ) niet ziet (adassāvī) en onbekwaam (akovida) en ongedisciplineerd (avinīta) is in de edele Dhamma (ariyadhamma), die de echte mensen (sappurisānaṁ) niet ziet en onbekwaam (akovida) en ongedisciplineerd (avinīta) is in hun Dhamma (sappurisadhamma).

Hij begrijpt niet waarover nagedacht moet worden en waarover niet nagedacht moet worden. Omdat dat zo is, denkt hij niet na over dingen waarover nagedacht moet worden en denkt hij na over dingen waarover niet nagedacht moet worden.

M002 — Sabbāsava Sutta — Alle bezoedelingen

Wanneer iemand verstoken is van de ware Dhamma en niet het verschil kent tussen een edel mens (ariyapuggala) en een wereldling (puthujjana), weet niet waar hij terecht kan voor een goed advies. Ook zijn er wereldse mensen die, vanwege hun begoocheling (moha), onbewust de functie van een edel mens denken te kunnen invullen maar daar in werkelijkheid niet capabel voor zijn. Daarbij komt dat mensen snel dingen klakkeloos aannemen en vaak tegen bepaalde personen opkijken. Ook speelt persoonsverheerlijking vaak een rol. Nu zijn 'de rapen gaar' omdat dit een voorwaarde is waardoor het volledig mis gaat en fataal is voor zowel het voortbestaan van de Dhamma als voor het geluk van vele mensen… Zeer schadelijk dus.

Vragen over het ware boeddhisme?

Op SleutelTotInzicht.nl is de ware Dhamma (saddhamma) met diepgaande kennis zuiver en gedetailleerd toegelicht, rechtstreeks onderbouwd door de woorden van de Boeddha zelf. Eenvoudig en kraakhelder. Mocht je desondanks toch nog vragen hebben, schroom dan niet om Contact op te nemen. Ook contact in het licht van het bevorderen en onderhouden van vriendschappelijke banden is een belangrijk aspect binnen het boeddhisme en wordt door STI dan ook erg gewaardeerd.

Tien banden maken het onderscheid

Het onderscheid van de tien banden is bepalend voor bij wie je het beste terecht kunt met je vragen en voor een goed advies.

Om de dingen te zien zoals ze werkelijk zijn (yathābhūtaṁ) is helder begrip (sampajañña) nodig oftewel totaal objectief gewaarzijn. Dit is de voorwaarde voor verlichting, de bevrijding (vimutti) van lijden (dukkha). De weg hier naartoe draait in het volledig opgeven van de ideeën van 'ik', van 'zelf', van persoonlijkheid. Begeerte (taṇhā) is de hoofdoorzaak van lijden en gaat altijd gepaard met onwetendheid (avijjā). Er zijn tien banden (saṁyojana) die wezens aan het lijden binden en de eerste band is die van het hechten aan meningen van persoonlijkheid (sakkāyadiṭṭhi). Zelfs op het laagste niveau van de edele personen, dat van de in de stroom getredene (sotāpanna), is deze band volledig doorgekapt. Dit betekent niet dat de sotāpanna al volledig vrij is van persoonlijkheid (en daarom nog niet vrij is van de wereld). Maar het vrij zijn van meningen (diṭṭhi) vormt de essentiële sleutelrol in zijn verdere ontwikkeling naar bevrijding. Deze heeft in elk geval al enigszins een ervaring opgedaan.

Boeddhisme leert niet dat je 'geen mening mag hebben', maar het hechten aan ideeën en diverse persoonlijke (sakkāyadhamma) eigenschappen belet je om dingen te verkennen, te onderzoeken (upaparikkhanta) waardoor je 'niet verder kijkt dan je neus lang is' (anupaparikkhanta). Dit leidt tot een 'ingekapseld' geïndividualiseerd bestaan (sakkāyapariyāpanna), een persoonlijke, coconachtige, beperkte wereld.

Alleen door het opgeven (nekkhamma) van meningen (diṭṭhi) kan wijsheid verder worden ontwikkeld. Het is wijsheid waarmee de sotāpanna voor zichzelf op een natuurlijke en ongedwongen wijze alle overige banden (saṁyojana) doorkapt. Ik zeg 'wijsheid', dus zonder tussenkomst van het 'ik'. Het 'ik' kapt geen banden door, maar verstevigt ze juist door verwardheid te creëren. Waar het ik is, daar kan waarheid niet zijn. Het is door het overwinnen van dit 'ik' of 'zelf' dat een einde maakt aan alle lijden; dit is de kern van wat de Boeddha onderwijst.

Zo wordt gehechtheid aan het persoonlijke (dit betekent ook 'de wereld') in fasen verder gereduceerd tot aan het vierde niveau van de edele personen (ariyapuggala), dat van de arahat. Hij is in mentaal opzicht tot volle wasdom (gotrabhū) gekomen en daarom volledig vrij van alle ideeën van 'ik'. Dit houdt in dat er geen enkele dominantie van 'ik' is die tussenbeide komt en zijn visie zou kunnen verstoren (iñjita). Omdat hij niets vastgrijpt, wordt hij door niets en niemand beïnvloed. Zodoende is de arahat volledig vrij van alle bezoedelingen (āsava) en beschikt hij over ultieme wijsheid. Hij is per uitstek degene die bekwaam is de edele Dhamma op de meest perfecte wijze door te geven. Hij is de belichaming van het Edel Achtvoudige Pad (ariya aṭṭhaṅgika magga). En net zoals dat bij de Boeddha het geval was, is hij geliefd bij goede mensen, maar wordt hij gehaat door slechte mensen.

Document info
RegID IfJbV2EHO48gFng
Bijgewerkt 30 oktober 2026 20:02:46
Auteur Peter van Loosbroek — Ānanda
Locatie www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright Zie a.u.b. copyright www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overig Geen