Intelligentie

Viññu

Intelligentie vangt aan wanneer iemand indachtig is, niet bij een hoge opleiding.

viññu

'Intelligent'; 'geleerd'; 'wijs'; 'een wijs persoon'. Het tegenovergestelde is een dwaas (balo).

Viññu is afgeleid van viññana dat voor bewustzijn staat. Bewustzijn kan zuiver of onzuiver zijn. Viññu, echter, impliceert een zuiver bewustzijn waardoor iemand intelligent is.

De geest (mano) kan alleen intelligent (viññu) zijn wanneer hij al het oude achter zich kan laten zodat hij steeds fris en nieuw kan zijn. Dan kan de geest op zichzelf staan, zonder dat hij wordt beïnvloedt door wat dan ook. Intelligentie vangt aan wanneer iemand indachtig (sati) is. Het is zo'n levenswijze waardoor begrip (samma ditthi) wordt ontwikkeld, want het is aandacht waardoor wij tot begrip komen. Naarmate het begrip zich verder ontwikkelt, zullen bij de beoefenaar de drie kenmerken (ti lakkhana) steeds duidelijker voor de geest verschijnen en ontstaat er een diep inzicht in de dingen zoals ze werkelijk zijn (yathabhuta).

Vanwege de ontwikkeling van dit doordringend inzicht (pativedha) kan hij steeds beter overal 'doorheen kijken'. Dingen bezwaren hem niet meer. Omdat een geest die aandachtig is, niets vastgrijpt, kan hij echt verzaken (nekkhamma) waardoor zijn ballast (upadhi) vanzelf en op een natuurlijke wijze wordt afgeworpen. Hij laat zich door niets conditioneren, door niets in de wereld op sleeptouw nemen.

Waarom is dat zo? Vanwege indachtigheid ontwikkelt de geest (mano) waar begrip (samma ditthi). Hij ontwikkelt onderzoek naar realiteit (dhamma vicaya), naar dingen buiten zich en dingen in zichzelf. Zo leert hij zichzelf op een eerlijke en realistische wijze te observeren en te overwinnen wat een essentiële stap is. De geest wordt vaardiger (citta paguññata) en flexibeler (citta muduta) zodat hij zich beter kan aanpassen (citta kammaññata) aan alle omstandigheden. Daarom ondervindt hij nergens moeilijkheden mee. Hij beweegt zich vlot en behendig (citta lahuta) omdat hij niet bezwaard is met onheilzame (akusala) zaken. Hij is zeer krachtig omdat hij volkomen oprecht is (citta ujukata) in elk opzicht. Omdat hij duidelijk overal de drie kenmerken (ti lakkhana) ziet, is er een en al verzaking (nekkhamma), identificeert hij zich nergens mee en conformeert zich nergens aan. En omdat hij het inzicht heeft dat alles verandert (viparinama) kan hijzelf constant intuïtief mee veranderen. Deze geest hecht niet meer aan 'ik', aan Het zelf dat voor zoveel ellende zorgt. Hij hecht niet aan het oude, maar is altijd nieuw en fris. Hij is wijdt open en daarom kan hij het nieuwe ontdekken waardoor hij echt kan leren. Hij is ongekend gelukkig. Dit is wat intelligentie inhoudt.

Dit is de getrainde geest die heel eenvoudig en makkelijk leeft. Omdat hij vrij is van alle dingen en gebeurtenissen, raakt zo'n geest niet verstrikt of in beslag genomen, wat er ook is, wat er zich ook voordoet. Hij is innerlijk zo kalm als een diepe oceaan. Een vaardige geest stroomt op de stroom van het dynamische leven net zo makkelijk mee, zoals een blad door een windvlaag wordt meegevoerd.

Opvolgende kernpagina's

'Wie de Dhamma ziet, ziet mij', zei de Boeddha. Maar hoe kun je de ware Dhamma zien tussen alles wat hierover geschreven is door mensen met uiteenlopende opvattingen? Leer op een eenvoudige en opbouwende manier het hart kennen van wat de Boeddha werkelijk heeft onderwezen. De kern van de boeddhistische Leer. Voor dit doel zijn speciale opvolgende kernpagina's gegroepeerd die te vinden zijn op De beëindiging van conditionering.

Maar als hij vasthoudt aan het oude, ontzegt hij zichzelf elke gelegenheid om te leren. De geest die het oude met zich meedraagt en hecht aan wat hij weet, kan het nieuwe niet ontdekken omdat hij met zijn ballast (upadhi) niet kan openstaan voor wat er op elk moment is. Dan zal hij essentiële universele waarheid (sacca) nooit kunnen begrijpen. Dit kan niet gegeven worden. Het moet ontdekt worden wat alleen mogelijk is middels een open geest.

Ware intelligentie is niet een hoge geleerdheid die slechts één richting op gaat en beperkt is tot een bepaald gebied. Ware intelligentie draagt een universeel aspect in zich. Het begint bij het inzien van het feit dat ballast (upadhi) bezwarend en lastig is en daar bevrijd van willen zijn. Het is volledig ontwikkeld bij een doordringend inzicht (pativedha) in alle dingen. Een praktische bouwvakker kan intelligenter zijn dan een afgestudeerd professor. Ondanks een professor zelfs beroemd kan zijn vanwege zijn kennis, is hij nog steeds een dwaas (balo) als hij hecht aan wat hij weet.

Intelligentie (viññu) heeft in boeddhistisch perspectief helemaal niets te maken met het feit of iemand een hoge opleiding heeft genoten. Het gaat om bepaalde vermogens (bala) die ontwikkeld zijn of in ontwikkeling zijn. Iemand kan denken dat hij wijs is terwijl dat niet zo is. Zo iemand zal niet het (juiste) Pad opgaan en er veel van maken. Daarentegen kan iemand onwetend (avijja) zijn, d.w.z. dat hij de vier Edele Waarheden niet kent. Echter, als deze persoon zijn onwetendheid erkent (abhiññeyya), zal hij zich gaan bekwamen om het Pad te ontwikkelen. In dat opzicht is iemand een wijs mens. Daarom is de Dhamma niet voor domme, onintelligente mensen, maar alleen voor intelligente, wijze mensen (viññuhi).

Het is niet de positie die iemand heeft, niet of iemand monnik, non of een lekenvolgeling is, niet of iemand leraar of leerling is, niet of iemand een man of een vrouw is, niet of iemand een hoge, lage of helemaal geen opleiding heeft gevolgd, niet door een hoge leeftijd, niet of iemand grijze haren heeft. Geen van deze dingen maakt iemand een intelligent persoon. Maar iemand die werkt aan zijn mentale ontwikkeling en het Pad opgaat, iemand met een open geest, iemand die er veel van maakt, dat is een waar intelligent persoon.

Document info
RegID sDt05borydhEpLE
Bijgewerkt 2 maart 2024 12:04:35
Auteur Peter van Loosbroek — Ananda
Locatie www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright Zie a.u.b. copyright www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overig Geen